Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
08-74 WWB + 08-75 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel: verlaging bijstand voor de duur van één maand met 100%. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Het College heeft de gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de vierde categorie als vermeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/74 WWB

08/75 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), wonende te Hoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 november 2007, 07/1394 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Mes, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.T.M. Schwering, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sedert 1 december 2006, in aanvulling op de uitkering van appellant ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW), bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op appellant rustte ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

1.2. Bij besluit van 5 maart 2007 heeft het College de bijstand van appellanten vanaf 1 maart 2007 voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Aan dit besluit ligt onder meer ten grondslag dat appellant op 19 februari 2007 een concreet aanbod van de vacaturemarkt om per 20 februari 2007 te starten als bouwopruimer voor een periode van minimaal 2 maanden niet heeft geaccepteerd

1.3. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het College het tegen het besluit van 5 maart 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden.

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het College overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het College de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Ten tijde hier van belang gold de Afstemmingsverordening WWB van de gemeente Hoorn, vastgesteld op 8 mei 2007 die met terugwerkende kracht op 1 januari 2007 in werking is getreden (hierna: Afstemmingsverordening).

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

Uit het rapport van de bijstandsconsulent M. Visser van 26 februari 2007 blijkt dat appellant een door het College op 19 februari 2007 gedaan aanbod om via de vacaturemarkt per direct aan de slag te gaan als bouwopruimer niet heeft geaccepteerd. De omstandigheid dat appellant eerst de uitkomst van een informatiebijeenkomst van de Lidl wilde afwachten, maakt niet dat deze gedraging hem niet kan worden verweten. Uit het rapport van 26 februari 2007 blijkt immers dat appellant op de hoogte was van het feit dat deze informatiebijeenkomst hem niet op korte termijn aan een baan zou helpen. Bovendien is appellant in de gelegenheid gesteld deze bijeenkomst bij te wonen en op 21 februari 2007 als bouwopruimer te starten. Appellant heeft ook dat aanbod niet geaccepteerd. De omstandigheid dat appellant vervolgens op 21 februari 2007 over deze baan nog contact met de vacaturemarkt heeft opgenomen, doet aan het vorenstaande niet af. Bovendien heeft de Raad gelet op de hiervoor beschreven opstelling van appellant geen reden te twijfelen dat - anders dan zoals door appellant is gesteld - het contact van 21 februari 2007 niet tot tewerkstelling van appellant heeft geleid vanwege zijn gebrek aan motivatie.

4.4. Het College heeft de gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de vierde categorie als vermeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening. Op grond van artikel 5, eerste lid, en artikel 7, aanhef en onder a, van deze verordening leidt een dergelijke gedraging tot een verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende één maand. Het College heeft overeenkomstig deze bepalingen beslist. De Raad merkt daarbij op dat het College bij het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging de handelswijze van appellant bij het bedrijf Vleesch du Bois buiten beschouwing heeft gelaten. De hieromtrent aangevoerde grieven kunnen derhalve buiten beschouwing blijven. Ook overigens ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet van de Afstemmingsverordening af te wijken.

5. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak stand houdt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R.L.G. Boot.

mm