Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
09-4985 AOW + 09-4983 AOW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Toekenning AOW-pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Gezamenlijke huishouding. Voldaan aan criterium van wederzijdse zorg. De omstandigheid dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen aan verzoeker met ingang van 18 maart 2008 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers naar de norm voor een alleenstaande heeft toegekend, doet aan het vorenstaande niet af. (...) Nog los van hetgeen hiervoor is overwogen hebben de betrokken bestuursorganen bovendien ieder een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de toepassing van de geldende wet- en regelgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4985 AOW

09/4983 AOW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 augustus 2009, 09/648 en 09/649 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 5 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker is tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F. Bakker. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet (Bw) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad (hierna: voorzieningenrechter) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Bw kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn in de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van spoedeisend belang, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 12 maart 2009 heeft de Svb aan verzoeker met ingang van februari 2009 een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend voor een gehuwde pensioengerechtigde. Hierbij heeft de Svb overwogen dat verzoeker op het adres [adres] te Groningen een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]).

2.2. Bij besluit van 2 juni 2009 heeft de Svb het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 12 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voorzover hier van belang - het beroep van verzoeker tegen het besluit van 2 juni 2009 ongegrond verklaard.

4. Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep gekeerd.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt in de wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het vierde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.2. Verzoeker betwist niet dat hij ten tijde hier van belang in dezelfde woning als [betrokkene] woonachtig was. Daarmee is gegeven dat aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning is voldaan.

5.3. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat verzoeker en [betrokkene] ten tijde in geding ook aan het criterium van de wederzijdse zorg voldeden. De Raad gaat daarbij uit van de verklaringen die tijdens een huisbezoek op 17 februari 2009 door verzoeker en [betrokkene] zijn afgelegd en tijdens dat huisbezoek zijn neergelegd in een checklist die verzoeker en [betrokkene] vervolgens hebben ondertekend. Uit deze verklaringen komt onder meer naar voren dat verzoeker en [betrokkene] beide huishoudelijke werkzaamheden verrichten, boodschappen doen, meestal gezamenlijk eten en voor elkaar koken. De omstandigheid dat verzoeker en [betrokkene] op deze verklaringen zijn teruggekomen dan wel deze verklaringen nader hebben genuanceerd, geeft de Raad geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van de eerst afgelegde verklaringen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat verzoeker ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht dat de checklist zo moet worden gelezen dat het merendeel van daarin genoemde taken als boodschappen doen en koken alleen door verzoeker werden uitgevoerd, terwijl tijdens hoorzitting in de bezwaarprocedure juist was verklaard dat deze taken door ieder apart werden uitgevoerd. Daarnaast is de Raad uit de stukken gebleken dat verzoeker klusjes doet in en rond het huis. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt hieromtrent dat verzoeker het hele huis in de verf heeft gezet en de trap heeft geschilderd. Uit het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt voorts dat [betrokkene] controleert of verzoeker tijdig zijn medicijnen inneemt.

5.4. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van wederzijdse zorg binnen het kader van een commerciële relatie. De in overweging 5.3 vermelde feiten en omstandigheden duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Onder die omstandigheden dient de gestelde huur van € 300,-- per maand te worden gekwalificeerd als een bijdrage van verzoeker in de kosten van de huishouding.

5.5. De omstandigheid dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen aan verzoeker met ingang van 18 maart 2008 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers naar de norm voor een alleenstaande heeft toegekend, doet aan het vorenstaande niet af. Daarbij merkt de Raad op dat deze uitkering is toegekend op basis van hetgeen door verzoeker is opgegeven over zijn leefsituatie op dat moment. Van verdergaand onderzoek naar de vraag of tussen verzoeker en [betrokkene] sprake was van een gezamenlijke huishouding is de Raad niet gebleken. Het door de afdeling Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen op 17 april 2008 uitgevoerde huisbezoek, waarvan het verslag door verzoeker is overgelegd, was niet gericht op de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding en de resultaten hiervan bieden de Raad ook geen aanknopingspunten om het standpunt van de Svb omtrent de vaststelling van de gezamenlijke huishouding voor onjuist te houden. Nog los van hetgeen hiervoor is overwogen hebben de betrokken bestuursorganen bovendien ieder een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de toepassing van de geldende wet- en regelgeving.

5.6. Uit het vorenstaande volgt dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker ten tijde van belang voor de toepassing van de AOW met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voert en dat het ouderdomspensioen dient te worden vastgesteld op bedrag voor een gehuwde pensioengerechtigde.

6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat er geen ruimte is voor de door verzoeker verzochte veroordeling van de Svb tot schadevergoeding, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.

7. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe ook moet worden afgewezen.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IA