Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08-1057 WWB + 08 -1058 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van de algemene bijstand. Appellanten hebben inkomsten in verband met de overdracht van auto’s ontvangen of redelijkerwijs kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties zijn verricht. Door van deze activiteiten geen melding te maken, zijn appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen in de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden.

Recht op (aanvullende) bijstand is over de maanden in geding niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1057 WWB

08/1058 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te Amersfoort,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 januari 2008, 07/807 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2009. Voor appellanten is verschenen mr. C.T.W. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Jap-A-Joe. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Wormgoor, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sedert 27 september 1993 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 11 september 2006 heeft het College het recht op bijstand over de maanden augustus, oktober en november 1998, maart, mei, juni, augustus en oktober 1999, juni en december 2000, januari, juni, augustus, oktober en november 2001, november 2002, november 2003, maart, juli en september 2004 en januari 2005, alsmede de aan appellanten op 26 april 2004 toegekende langdurigheidstoeslag, ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden en de langdurigheidstoeslag van appellanten teruggevorderd. Het College heeft daaraan ten grondslag gelegd dat 28 voertuigen van de naam van appellanten zijn afgeschreven zonder dat daarvan aan het College melding is gemaakt, dat appellanten hieromtrent geen afdoende informatie hebben verstrekt en dat het recht op bijstand over de genoemde maanden daardoor niet is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het College is tot de conclusie gekomen dat ten onrechte in het primaire besluit is gesteld dat met betrekking tot een drietal auto’s de inlichtingenplicht is geschonden. Voorts is ten onrechte besloten de bijstand over de maand juni 2001 in te trekken, maar daarentegen is ten onrechte de bijstand over de maand september 2005 niet ingetrokken en teruggevorderd. Het van appellanten teruggevorderde bedrag is bij het besluit van 13 februari 2007 naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 26.356,75.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering van de algemene bijstand.

4.1. De Raad stelt met de rechtbank vast dat blijkens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) in de periode van 1 augustus 1998 tot en met 30 september 2005 28 kentekens op naam van appellant hebben gestaan, merendeels gedurende korte tijd. Uit deze registratie blijkt dat het om auto’s gaat die allemaal ouder zijn dan 10 jaar en merendeels voor sloop zijn aangemeld. De Raad is van oordeel dat het aanbieden van auto’s voor sloop gelijk te stellen is met overdracht aan derden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 november 2005 (LJN AU7252), gaat hij ervan uit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van betrokkene staat, de datum is waarop een transactie heeft plaatsgevonden.

4.2. Zoals de Raad inmiddels vaker heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 30 juni 2008, LJN BD6241) wordt in geval van de hiervoor aangeduide omstandigheden aannemelijk geacht dat de betrokkene inkomsten in verband met de overdracht van de auto’s heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties zijn verricht. Door van deze activiteiten geen melding te maken, zijn appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen in de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden. De Raad merkt in dit verband op dat uit het feit dat sprake is van auto’s die meer dan 10 jaar oud zijn en die merendeels voor sloop zijn aangemeld niet afgeleid kan worden dat de transacties geen invloed op de bijstandsverlening - kunnen - hebben.

4.3. De Raad onderschrijft vervolgens de conclusie van de rechtbank dat als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van een administratie inzake de koop en verkoop van de auto’s het recht op (aanvullende) bijstand over de maanden in geding niet is vast te stellen.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de bijstand van appellanten over de maanden in geding in te trekken. In hetgeen appellanten dienaangaande hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand over de desbetreffende maanden.

4.5. Uit hetgeen met betrekking tot de intrekking is overwogen volgt dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand over voornoemde maanden terug te vorderen. Het College heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.

De intrekking en terugvordering van de langdurigheidstoeslag

4.6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de intrekking en terugvordering van de langdurigheidstoeslag. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en C. van Viegen en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

mm