Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
08-6572 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WGA-uitkering. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij voegt daaraan toe dat hij ook in het in beroep overgelegde rapport van Van der Spoel van 18 augustus 2008, waarin het beloop en geen positieve verwachting omtrent werkhervatting is beschreven, geen aanknopingspunten heeft gezien voor het oordeel dat de FML de beperkingen van appellant onjuist weergeeft. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de Raad geen aanleiding gezien de toelichting op de signaleringen in de geduide functies, zoals opgenomen in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 mei 2008 voor onjuist of onvolledig te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6572 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2008, 08/1124 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. H. Durdu, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk van 1 tot 29 mei 2004 werkzaam als bouwopruimer. Met ingang van 27 oktober 2004 heeft appellant zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet arbeidsongeschikt gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 25 oktober 2006 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.

2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 17 juli 2007 verschenen op het spreekuur van de arts P.C.R. Menco, die een psychiatrische expertise heeft laten verrichten door de psychiater R.J.H. Winter. In zijn rapport van 8 oktober 2007 vermeldde Winter dat er bij zijn onderzoek van appellant geen aanwijzingen waren voor stoornissen in de geheugenfuncties, dat de aandachtsconcentratie voldoende was, dat er geen aanwijzingen waren voor een eventueel psychotisch proces, dat de stemming enigszins gedrukt was, maar niet overduidelijk depressief in engere zin, maar dat er wel diverse merkbare angstequivalenten waren. Winter concludeerde tot een aanpassingsstoornis met gemengde emotionele kenmerken in verband met toenemende financiële problemen. Hij wees op de negatieve rol van de gebruikte medicatie en achtte een meer actieve opstelling van appellant van groot belang. Op basis van deze expertise concludeerde Menco in een rapport van 5 november 2007 dat appellant enige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren had en hij legde deze vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding het verlies aan verdienvermogen op 8,50% berekend, waarna het Uwv bij besluit van 26 november 2007 de WGA-uitkering van appellant met ingang van 1 februari 2008 introk.

3. In de bezwaarprocedure is namens appellant informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige K. van der Spoel van 12 december 2007 overgelegd, waarin sprake is van een stoornis in de impulsbeheersing NAO en als hoofd- en behandeldiagnose een depressieve stoornis NAO. De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van der Geest gaf in haar rapport van 28 januari 2008 aan dat uit de expertise dezelfde klachten en ervaren belemmeringen naar voren kwamen als bij het onderzoek van Menco en tijdens de hoorzitting. Gelet hierop zag zij, ook al was er bij Winter en Van der Spoel sprake van verschillende diagnosen, geen aanleiding tot wijziging van de FML. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 1 februari 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 november 2007 ongegrond.

4. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 1 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. Zij onderschreef – kort gezegd – de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in beroep voorgedragen gronden tegen het bestreden besluit, welke er in feite op neerkwamen dat de belastbaarheid van appellant was overschat, in essentie herhaald.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij voegt daaraan toe dat hij ook in het in beroep overgelegde rapport van Van der Spoel van 18 augustus 2008, waarin het beloop en geen positieve verwachting omtrent werkhervatting is beschreven, geen aanknopingspunten heeft gezien voor het oordeel dat de FML de beperkingen van appellant onjuist weergeeft. Daarbij wijst de Raad erop dat Van der Geest in een rapport van 1 april 2008 heeft aangegeven dat voor de impulscontrolestoornis een beperking in de FML ten aanzien van conflicthantering is gesteld. Voorts vermeldde Van der Spoel onder het kopje “Beloop” deels vergelijkbare gegevens als waarvan het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit op basis van het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen is uitgegaan. Voor zover tevens is vermeld dat appellant onlangs fors aan de alcohol was geraakt maar dit nu weer onder controle heeft, gaat de Raad er, gelet op de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische gegevens, vanuit dat dit speelde na de datum bij het bestreden besluit in geding.

6.2 Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de Raad geen aanleiding gezien de toelichting op de signaleringen in de geduide functies, zoals opgenomen in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 mei 2008 voor onjuist of onvolledig te houden.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.4. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.C.A. Wit.

EK