Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
08-3544 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functieonderhoud. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 4 maart 2004, LJN AO5133, heeft overwogen brengt het stelsel van artikel 6, zevende lid, van het Bbp mee dat dient te worden nagegaan of de feitelijk opgedragen werkzaamheden op het moment van de aanvraag om functieonderhoud al ongeveer een jaar in de door de aanvrager opgegeven opzichten wezenlijk afweken van de organieke functie. De Raad stelt vast dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet nu op het moment waarop appellant zijn aanvraag bij de korpsbeheerder indiende de werkzaamheden waarop die aanvraag zag al (ruimschoots) langer dan een jaar waren beëindigd.

De Raad voegt hier nog aan toe dat, zoals uiteengezet in zijn uitspraak LJN BK9642, 31 december 2009, in genoemd stelsel (ook) niet past dat aan een eventueel functieonderhoud (en daaraan gekoppelde functiewaardering) terugwerkende kracht wordt verleend tot een datum die is gelegen vóór die van het verzoek om functieonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3544 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 mei 2008, 07/846 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaand door mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.C.W. Tummers en F.J.H. Gunther, beiden werkzaam bij de politieregio Limburg Zuid.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was indertijd werkzaam als rechercheur bij de politieregio Limburg Zuid. Op 1 augustus 2000 is appellant uitgezonden naar de Nederlandse Antillen en Aruba om daar werkzaam te zijn als financieel rechercheur bij het Recherche Samenwerkingsteam Nederland (RST), met als standplaats Aruba. Ten behoeve van deze uitzending werd appellant gedetacheerd bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd). De uitzendperiode werd beëindigd op 1 mei 2004.

Vervolgens is appellant met ingang van 1 mei 2004 door de korpsbeheerder belast met de leiding van het bureau Financiële Recherche, behorende bij de divisie Regionale Recherche.

1.2. Bij brief van 20 december 2004 heeft appellant bij het Klpd een verzoek ingediend om de door hem van 1 augustus 2000 tot 1 mei 2004 vervulde functie van financieel rechercheur bij het RST in overeenstemming te brengen met de door hem feitelijk verrichte werkzaamheden (functieonderhoud). Dit verzoek is door de korpsbeheerder van het Klpd afgewezen en het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is om een formele reden niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Bij brief van 20 februari 2006 heeft appellant de korpsbeheerder verzocht om functieonderhoud ten aanzien van de onder 1.2 vermelde functie. Naar hij daarbij stelde was zijn eerder bij de Klpd ingediende soortgelijke verzoek afgewezen omdat appellant geen dienstverband had bij de Klpd.

1.4. Bij besluit van 11 december 2006 heeft de korpsbeheerder dit verzoek afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant op het moment van zijn verzoek de betrokken functie niet meer vervulde. Bij het bestreden besluit van 2 mei 2007 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen dit afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit is overwogen dat appellant niet direct voorafgaande aan de datum van zijn verzoek gedurende een langere tijd (ongeveer een jaar) onafgebroken afwijkende werkzaamheden heeft verricht naast zijn feitelijk opgedragen werkzaamheden. Daarbij komt dat niet werd voldaan aan de in artikel 2, onder a, van de - ter uitvoering van artikel 6, zevende lid (oud), van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) vastgestelde - Procedure Uitvoerings-regeling functieonderhoud Regiopolitie Limburg Zuid neergelegde eis dat het gaat om door de korpsleiding/districtschef/divisiechef vooraf bij besluit vastgelegde afwijkende werkzaamheden van de organieke functie welke aan de ambtenaar schriftelijk is meegedeeld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In artikel 6, zevende (thans achtste) lid, van het Bbp is bepaald dat de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag kan indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen.

Blijkens de nota van toelichting strekt deze bepaling ertoe dat ingeval de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd (ongeveer een jaar) afwijken van de organieke functie het bevoegd gezag hetzij de organieke functie aanpast hetzij bepaalt dat aan de betrokken ambtenaar de van de organieke functie afwijkende werkzaamheden niet langer worden opgedragen.

3.2. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 4 maart 2004, LJN AO5133, heeft overwogen brengt het stelsel van artikel 6, zevende lid, van het Bbp mee dat dient te worden nagegaan of de feitelijk opgedragen werkzaamheden op het moment van de aanvraag om functieonderhoud al ongeveer een jaar in de door de aanvrager opgegeven opzichten wezenlijk afweken van de organieke functie. De Raad stelt vast dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet nu op het moment waarop appellant zijn aanvraag bij de korpsbeheerder indiende de werkzaamheden waarop die aanvraag zag al (ruimschoots) langer dan een jaar waren beëindigd.

De Raad voegt hier nog aan toe dat, zoals uiteengezet in zijn uitspraak van 31 december 2009, 08/1816 en 08/1817, in genoemd stelsel (ook) niet past dat aan een eventueel functieonderhoud (en daaraan gekoppelde functiewaardering) terugwerkende kracht wordt verleend tot een datum die is gelegen vóór die van het verzoek om functieonderhoud.

3.3. Uit het vorenstaande volgt reeds dat de korpsbeheerder het verzoek van appellant om functieonderhoud terecht heeft afgewezen.

3.4. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD