Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
08-1715 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing (herhaalde) aanvraag Toelage onregelmatige dienst. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de salarisspecificaties over de maanden september tot en met december 2002 en heeft daarmee geaccepteerd dat hem over die maanden geen TOD werd uitbetaald. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om met terugwerkende kracht TOD te verstrekken over die periode voor de toetsing in rechte moet worden beschouwd als een weigering om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1715 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 januari 2008, 06/1700 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

de Staatssecretaris van Financiƫn (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene is op 16 maart 2009 overleden. Appellanten hebben de procedure voortgezet.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene, sinds 2000 na de opheffing van de Dienst Omroepbijdragen werkzaam bij de Belastingdienst, heeft in het voorjaar van 2002 stage gelopen bij verschillende onderdelen van de Douane. Vanaf 1 juni 2002 tot 9 september 2002 heeft hij in het kader van deze stage gewerkt voor het aangiftebehandelteam van de Douane Noord te Veendam. In deze periode heeft betrokkene onregelmatige diensten verricht, in verband waarmee hem een Toelage onregelmatige dienst (hierna: TOD) is toegekend.

1.2. Met ingang van 1 september 2002 is betrokkene benoemd tot douanemedewerker groepsfunctie C bij de Belastingdienst/Douane Noord. In verband hiermee heeft betrokkene van 9 september 2002 tot 1 januari 2003 de startopleiding groepsfunctionaris C/Douane (hierna: C-opleiding) gevolgd. Gedurende deze opleiding heeft betrokkene geen onregelmatige diensten verricht.

1.3. Bij brief van 9 juli 2006 heeft betrokkene zich gewend tot de staatssecretaris met een verzoek om hem voor de duur van zijn C-opleiding alsnog TOD toe te kennen.

1.4. Bij besluit van 20 juli 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit), heeft de staatssecretaris dit verzoek afgewezen. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het Algemeen rijksambtenarenreglement betrokkene geen aanspraak biedt op doorbetaling van TOD, terwijl het belang van de dienst evenmin vergt dat aan betrokkene TOD wordt toegeschat. Het volgen van een C-opleiding bij aanvang van een dienstverband geeft geen aanleiding voor een dergelijke toekenning. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene voorafgaand aan de C-opleiding niet (regelmatig) in onregelmatige diensten heeft gewerkt, aldus de staatssecretaris.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het onder 1.4 weergegeven standpunt van de staatssecretaris onderschreven en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. De Raad stelt voorop dat naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 30 augustus 2007, LJN BB2815 en AB 2007,376) de rechtsgeldigheid van een reeds eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, niet bij elke betaling opnieuw (integraal) aan de orde kan worden gesteld. Voor zover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al bij een eerdere (beslissing tot) betaling is beslist en dit element toen niet is aangevochten, is die salaris- of uitkeringsvaststelling in zoverre in rechte onaantastbaar geworden. Het vorenstaande neemt niet weg dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan een terzake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De administratieve rechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.2. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de salarisspecificaties over de maanden september tot en met december 2002 en heeft daarmee geaccepteerd dat hem over die maanden geen TOD werd uitbetaald. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om met terugwerkende kracht TOD te verstrekken over die periode voor de toetsing in rechte moet worden beschouwd als een weigering om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit. Dat brengt mee dat de weigering van de staatssecretaris om, na het eerdere berusten van betrokkene, met terugwerkende kracht tot toekenning van de TOD over te gaan, moet worden getoetst op de wijze als onder 3.1 omschreven.

3.3. De Raad stelt vast dat de - herhaalde - aanvraag van betrokkene niet berust op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarvan uitgaande en gelet op hetgeen overigens is aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet - gezien hetgeen onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen: met verbetering van de gronden - worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD