Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08-3846 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op compensatie van de achteruitgang in bezoldiging als gevolg van de vermindering van zijn operationele (inconveniënten)toelage. Artikel 64 van het Barp bepaalt dat een ambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht is zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats te vervullen of een andere functie te aanvaarden, mits dit hem redelijkerwijs kan worden opgedragen. Dat de ambtenaar bij een verplaatsing op grond van dit artikel geen financieel nadeel mag ondervinden, heeft noch in het Barp, noch in het Besluit bezoldiging politie geleid tot een specifieke bepaling waaraan appellant een financiële aanspraak kan ontlenen. Het gaat de Raad te ver, aan de enkele geciteerde zinsnede uit de Nota van Toelichting de conclusie te verbinden dat in een geval als het onderhavige een overplaatsing zonder financiële compensatie onredelijk is. Geen sprake van onzorgvuldige voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/61

Uitspraak

08/3846 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juni 2008, 07/5293 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.J.J.M. van der Heijden, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Naar aanleiding van een beoordeling van appellants functioneren heeft de korpsbeheerder bij besluit van 4 december 2006 met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) appellant ontheven van zijn functie als [naam functie A] en hem voor de periode van 4 september 2006 tot 26 januari 2007 bovenformatief tewerkgesteld bij de unit [naam unit]. Daar was hij belast met werkzaamheden betreffende toezicht, handhaving en opsporing van vuurwerkgerelateerde feiten binnen het project [naam project]. Met deze tewerkstelling werd tevens beoogd beter zicht te krijgen op de persoonlijke competenties en prestaties van appellant.

1.2. Het besluit van 4 december 2006 is, met niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaar, door de korpsbeheerder gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 december 2007. Daartoe heeft de korpsbeheerder, met overneming van het advies van de Bezwaren-adviescommissie Awb, geoordeeld dat appellant geen rechtens afdwingbaar (financieel) belang heeft noch enig ander procesbelang. Ten overvloede is daarbij overwogen, dat wanneer het bezwaar wel ontvankelijk zou zijn, appellant toch geen recht heeft op compensatie van de door hem gestelde achteruitgang in bezoldiging als gevolg van de vermindering van zijn operationele (inconveniënten)toelage.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, op grond van de overweging dat appellant wel een actueel procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het bestreden besluit. Materieel heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpsbeheerder terecht geen compensatie heeft willen bieden voor de door appellant gestelde achteruitgang in bezoldiging. Daarom heeft de rechtbank, zelf voorziend in de zaak, het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de korpsbeheerder heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet in aanmerking komt voor compensatie van de door hem gestelde achteruitgang in bezoldiging als gevolg van de vermindering van zijn operationele toelage.

3.1. Appellant stelt dat uit artikel 64 van het Barp en uit de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgeleid, dat een overplaatsing waardoor, zoals hier het geval is, een financieel nadeel wordt teweeggebracht dat voor rekening en risico van de overgeplaatste blijft, als onredelijk moet worden beschouwd en daarom niet in stand kan blijven.

3.2. De korpsbeheerder erkent weliswaar dat er in de in geding zijnde periode van september 2005 tot en met januari 2006 sprake is geweest van een gemiddelde achter-uitgang van het bedrag van de maandelijkse operationele toelage ter grootte van € 56,55 per maand, maar stelt dat er geen causaal verband is aangetoond met de gewijzigde tewerkstelling. Maandelijkse fluctuaties zijn nu eenmaal inherent aan het karakter van deze toelage, aldus de korpsbeheerder. De korpsbeheerder bestrijdt dat aan de door appellant genoemde artikelen een financiële aanspraak kan worden ontleend op compensatie van mogelijk financieel nadeel.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Artikel 64 van het Barp bepaalt dat een ambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht is zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats te vervullen of een andere functie te aanvaarden, mits dit hem redelijkerwijs kan worden opgedragen. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn stelling met name gewezen op een passage in de Nota van Toelichting, waar is vermeld dat de ambtenaar bij een verplaatsing op die grond geen financieel nadeel mag ondervinden. Zoals de Raad eerder heeft beslist in zijn uitspraak van 27 september 2007, LJN BB5146, - een uitspraak waaruit ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geciteerd - heeft deze vermelding dat de ambtenaar bij een verplaatsing op grond van dit artikel geen financieel nadeel mag ondervinden, noch in het Barp, noch in het Besluit bezoldiging politie geleid tot een specifieke bepaling waaraan appellant een financiële aanspraak kan ontlenen. Het gaat de Raad te ver, aan de enkele geciteerde zinsnede uit de Nota van Toelichting de conclusie te verbinden dat in een geval als het onderhavige een overplaatsing zonder financiële compensatie onredelijk is.

4.2. De Raad volgt appellant evenmin in zijn stelling, dat de korpsbeheerder het verwijt treft van een onzorgvuldige voorbereiding en een onvoldoende belangenafweging in de zin van de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb. Met de korpsbeheerder acht de Raad daarbij van betekenis, dat de in geding zijnde operationele toelage, gekoppeld als zij is aan de daadwerkelijk verrichte operationele diensten, naar haar aard aan maandelijkse fluctuaties onderhevig is, zodat ten tijde van de overplaatsing niet te voorzien was en dus ook niet in de belangenafweging kon worden betrokken, dat er over de in geding zijnde maanden gemiddeld genomen van een achteruitgang sprake zou zijn.

4.3. Dat appellant aansluitend aan de hier in geding zijnde overplaatsing weer andere werkzaamheden heeft verricht, waaraan gemiddeld per maand een nog lagere operationele toelage verbonden was, is een omstandigheid die buiten de omvang van dit geding valt, reeds omdat appellant tegen het opdragen van die andere werkzaamheden en het daaraan verbonden financieel nadeel geen rechtsmiddel heeft aangewend.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD