Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08-4706 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens plichtsverzuim. De integriteit van appellant is door zijn veroordeling voor een geruchtmakend levens- en zedendelict zodanig ter discussie komen te staan dat hij zijn functie van penitentiair inrichtingswerker niet meer met het vereiste gezag kan uitoefenen. In de gegeven situatie bestond geen verplichting appellant te horen. Ontslag niet onevenredig aan plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4706 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], verblijvende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2008, 07/4020 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Namens appellant is verschenen mr. drs. R. Müller, advocaat te Alphen aan den Rijn. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Wagenaar en J.E.M. Vergeer, beiden werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 1998 werkzaam bij de Penitentiaire Inrichtingen [naam Penitentiaire inrichting], locatie [lokatie]. Laatstelijk vervulde hij de functie van [naam functie A].

1.2. Bij vonnis van 27 juni 2006, LJN AX9356, is appellant door de meervoudige strafkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren wegens zeer ernstige delicten.In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage bij arrest van 12 juni 2007, LJN BA6870, dezelfde feiten bewezen geacht en appellant tot dezelfde straf veroordeeld. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 7 oktober 2008, LJN BF0261, verworpen.

1.3. Bij besluit van 1 september 2006 heeft de minister appellant, op grond van artikel 80, eerste lid, in verbinding met artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, met onmiddellijke ingang ontslag verleend wegens plichtsverzuim, bestaande uit de feiten die de rechtbank bewezen heeft verklaard.

1.4. Appellant heeft tegen het besluit van 1 september 2006 bezwaar gemaakt. Op de op 14 maart 2007 gehouden hoorzitting van de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden bij het Ministerie van Justitie (hierna: commissie) heeft de raadsman van appellant verzocht om aanhouding, omdat appellant niet in persoon aanwezig kon zijn. De commissie heeft dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 5 april 2007 heeft de minister, met overneming van het advies van de commissie, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, voor zover hier van belang, overwogen dat door de weigering van de commissie om de hoorzitting aan te houden de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde hoorplicht niet geschonden is. Appellant is in de gelegenheid gesteld gehoord te worden. Hij had voldoende tijd om maatregelen te treffen teneinde zelf bij hoorzitting aanwezig te zijn. Nu appellant heeft nagelaten maatregelen te nemen en de wel bij de hoorzitting aanwezige raadsman, vanwege de afwezigheid van appellant, er voor gekozen heeft tijdens de hoorzitting geen toelichting te geven op het bezwaar, dient dit voor rekening en risico van appellant te blijven, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het gestelde plichtsverzuim op voldoende deugdelijk vastgestelde gegevens is gebaseerd, dat het aan appellant kan worden toegerekend en dat de opgelegde disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig is. De minister heeft in dat verband grote betekenis mogen hechten aan het feit dat de integriteit van appellant door zijn veroordeling voor een geruchtmakend levens- en zedendelict zodanig ter discussie is komen te staan dat hij zijn functie van penitentiair inrichtings-werker niet meer met het vereiste gezag kan uitoefenen.

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie hetzelfde aangevoerd als in eerste aanleg. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad nog het volgende.

3.1. Anders dan appellant heeft gesteld, kan uit de uitspraak van de Raad van 16 mei 2006, LJN AX3772, niet worden afgeleid dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van appellant op zijn bezwaar. In die uitspraak oordeelde de Raad dat het al dan niet de gelegenheid geven om te worden gehoord niet afhankelijk mag worden gemaakt van het binnen een bepaalde termijn reageren door de belanghebbende op een verzoek van het bestuursorgaan om kenbaar te maken of de wens bestaat om te worden gehoord. In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de minister aan appellant de gelegen-heid heeft geboden om te worden gehoord, maar gaat het om de vraag of, toen bij de hoorzitting bleek dat appellant niet zou verschijnen, de commissie een nieuwe hoorzitting op een ander tijdstip had moeten beleggen. Met de rechtbank en de minister is de Raad van oordeel dat daartoe in de gegeven situatie geen verplichting bestond.

3.2. Evenmin kan de Raad de stelling van appellant onderschrijven dat het strafontslag onevenredig is geweest omdat de minister ook had kunnen beslissen appellant uit zijn functie te ontheffen en hem een andere functie aan te bieden voor het geval appellant uit zijn detentie zou worden ontslagen. Deze stelling van appellant miskent dat, zoals de minister in het besluit van 1 september 2006 ten aanzien van de evenredigheid heeft overwogen, door het plichtsverzuim het vertrouwen in appellant op een onherstelbare wijze is beschadigd. De Raad ziet - evenals de rechtbank - geen grond daar anders over te oordelen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD