Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08-6723 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling salarisschaal. De rechtbank heeft inzake de toepassing van artikel 4:6 van de Awb in geval van zogenoemde duuraanspraken zoals aanspraken op salaris, een juiste toetsingsmaatstaf aangelegd. Met betrekking tot de periode voorafgaande aan het verzoek van 31 oktober 2005 is de Raad van oordeel dat appellant bij dit verzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. Wat betreft de periode vanaf 31 oktober 2005 volgt de Raad eveneens het oordeel van de rechtbank dat de minister in redelijkheid heeft kunnen weigeren het salaris van appellant vast te stellen naar salarisschaal 6.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6723 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], België, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2008, 07/3929, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. E.M. Pommé, advocaat te Heerlen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.C.E. de Riet, advocaat te Heythuysen, en J. Eurlings, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant werd met ingang van 1 februari 1989 aangesteld in de functie van [naam functie A] bij het Huis van Bewaring te [plaatsnaam] en ingeschaald in salarisschaal 5 volgens het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984). Vastgelegd was dat appellant een bepaalde beroepsopleiding (hierna: BBO) diende te volgen en met succes te voltooien.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2000 (hierna: plaatsingsbesluit) is appellant na een reorganisatie geplaatst in de (organieke) functie van [naam functie B], aan welke functie de salarisschaal 6 was verbonden. Een van de functie-eisen was volgens de functiebeschrij-ving van 23 december 1999, het bezit van het BBO-diploma. De plaatsing werd met ingang van 1 oktober 2000 verwezenlijkt. Het salaris van appellant, die intussen wel met de BBO was begonnen maar haar niet met succes had afgerond, wijzigde niet zoals in een bijlage bij het plaatsingsbesluit was aangegeven. Hierin heeft appellant berust. Ook tegen de salarisspecificaties van oktober 2000 en volgende maanden, waaruit het ongewijzigde salaris bleek, heeft hij geen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij brief van 31 oktober 2005 heeft appellant de minister verzocht hem met ingang van 1 oktober 2000 in te schalen in salarisschaal 6 van het BBRA 1984.

1.4. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 19 november 2005, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 maart 2007, in de kern op de grond dat appellant niet beschikte over het BBO-diploma.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is ervan uitgegaan (kort gezegd) dat het verzoek van 30 oktober 2005 het karakter heeft van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft voorts het bestreden besluit beoordeeld met inachtneming van (in de uitspraak genoemde) vaste rechtspraak van de Raad hierover, geldend in gevallen dat sprake is van zoge-noemde duuraanspraken zoals hier aan de orde. Met betrekking tot de periode van 1 oktober 2000 tot 31 oktober 2005 heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden, welke vraag zij - goeddeels - ontkennend heeft beantwoord. Ter zake van de periode na 31 oktober 2005 heeft de rechtbank doorslaggevend geoordeeld - samengevat - dat appellant ook ten tijde van de aanvraag het diploma van de beroepsopleiding nog niet had behaald. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de minister voor beide beoordeelde perioden in redelijkheid heeft kunnen weigeren om appellant in salarisschaal 6 in te schalen. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht het voorschrift van artikel 4:6 van de Awb in beeld heeft gebracht, nu appellant - zoals onder 1.2 is vastgesteld - tegen het plaatsingsbesluit en de salarisspecificatie van oktober 2000, die een bevestiging inhield van het niet gewijzigde salaris per 1 oktober 2000, geen bezwaar heeft gemaakt, zodat deze besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden. De stelling van appellant dat hij deze strekking van beide besluiten niet heeft onderkend, komt de Raad niet begrijpelijk voor; in ieder geval dient die omstandigheid voor rekening van appellant te blijven. Voorts is de Raad van oordeel dat de rechtbank, met inachtneming van de in de aangevallen uitspraak genoemde rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van artikel 4:6 van de Awb in geval van zogenoemde duuraanspraken zoals aanspraken op salaris, een juiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. De Raad verwijst wat dit betreft naar rechtsoverweging 5.2 van de aangevallen uitspraak.

3.2. Met betrekking tot de periode voorafgaande aan het verzoek van 31 oktober 2005 is de Raad van oordeel dat appellant bij dit verzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft gesteld als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, maar argumenten naar voren heeft gebracht die hij al in een bezwaar tegen het plaatsingsbesluit en de salaris-specificatie van oktober 2000 had kunnen inbrengen. Dit geldt ook voor de door appellant vermelde cognitieve stoornis die hij in een gesprek met leidinggevenden op 10 januari 2005 heeft aangeduid als dyslexie, en waaraan appellant het niet hebben voltooid van de beroepsopleiding in 2000 toeschrijft.In zoverre heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister in redelijkheid het verzoek van 31 oktober 2005 heeft kunnen afwijzen.

3.3.Wat betreft de periode vanaf 31 oktober 2005 volgt de Raad eveneens het oordeel van de rechtbank dat de minister in redelijkheid heeft kunnen weigeren het salaris van appellant vast te stellen naar salarisschaal 6. Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat de minister, naar uit de gedingstukken blijkt, door de jaren heen in opvolgende circulaires op grond van artikel 13 van het ARAR, voor een bevordering van salarisschaal 5 naar salarisschaal 6 consequent het bezit van het BBO-diploma als eis heeft gesteld. Uit de bijlage van het plaatsingsbesluit heeft appellant naar het oordeel van de Raad niet kunnen en mogen afleiden dat hij van het (opnieuw) volgen van de beroepsopleiding was vrijgesteld. De Raad laat in dit verband nog wegen dat appellant, toen hem in 2005 weer werd voorgehouden dat hij voor bevordering naar salarisschaal 6 de beroepsopleiding moest volgen en dat daarbij met zijn medische beperkingen rekening gehouden zou worden, uitdrukkelijk heeft geweigerd met die opleiding te beginnen.

Tegen deze achtergrond kan de Raad - terughoudend toetsend - aan het feit dat appellant volgens zijn stelling en met een verwijzing naar artikel 5 van het BBRA 1984, sinds oktober 2000 de op salarisschaal 6 gewaardeerde functie van [naam functie B] naar behoren heeft vervuld, onvoldoende gewicht toekennen.

3.4. Ten slotte deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel, gelet op de informatie die de minister bij brief van 19 december 2007 aan de rechtbank heeft verstrekt, niet opgaat.

4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd. De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD