Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
07-2818 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De door de Raad benomede deskundige wordt gevolgd. De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. Dit leidt ertoe dat de Raad de conclusie van de revalidatiearts Rulkens dat de in de FML vastgelegde belastbaarheid juist is en dat het eigen werk voor appellant geschikt is, overneemt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad op 4 december 2009 nog eens heeft benadrukt dat het bij het eigen werk van appellant gaat om een WSW-werkplaats, wat op zichzelf al impliceert dat met de beperkingen van de daar werkzame werknemers rekening wordt gehouden, en dat de werkgever heeft verklaard dat het werk kan worden aangepast aan de situatie van appellant. Ook neemt de Raad in aanmerking dat op diezelfde zitting is komen vast te staan dat de psychische klachten van appellant zijn ontstaan na de datum in geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2818 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 april 2007, 06/3256 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E. Braak, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft drs. M.P. Rulkens, revalidatiearts te Arnhem, een advies uitgebracht dat is neergelegd in een rapport van 3 maart 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Mauritz, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 16 juni 2009 zijn nadere vragen gesteld aan de revalidatiearts Rulkens, die daarop bij brief van 30 september 2009 heeft geantwoord.

De zaak is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 4 december 2009. Appellant is wederom verschenen, bijgestaan door mr. Mauritz voornoemd. Het Uwv heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft in zijn jeugd de ziekte poliomyelitis (polio) gehad, waaraan hij been- en rugklachten heeft overgehouden. Sinds 1997 heeft appellant voor 36 uur per week werkzaamheden verricht als inpakker van rekenmachines. Het betrof arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). In verband met zijn klachten ten gevolge van de polio is appellant voor deze werkzaamheden uitgevallen en is aan hem per 5 april 2000 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant, die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 11 mei 2006 ingetrokken. Dit besluit berust op het standpunt dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% bedroeg.

1.3. Namens appellant is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het de specifieke deskundigheid is van de (bezwaar) verzekeringsarts om op basis van de medisch objectiveerbare klachten de beperkingen van appellant terzake van het verrichten van arbeid vast te stellen. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens dossierstudie verricht en alle relevante medische gegevens in zijn beoordeling betrokken. De rechtbank kent aan de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts doorslaggevende betekenis toe. Appellant heeft, onder verwijzing naar de brief van zijn behandelend revalidatiearts J.H. Martens van 29 november 2004, aangegeven dat hij voortdurend pijn heeft en dat het niet reƫel is om te denken dat de klachten die hij ondervindt als gevolg van polio, zullen verdwijnen. Hij heeft voorts aangegeven dat hij last heeft van een verstoord dag- en nachtritme. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie hierop aangegeven dat met de beperkte belastbaarheid van appellants rug en benen rekening is gehouden in de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat er diverse voorzieningen (zoals een aangepaste stoel en een ruimte waar appellant zijn beenbeugel kan afdoen) moeten worden aangebracht om het werken voor appellant mogelijk te maken. Met een volledig aangepaste stoel en een kussentje kan appellant, volgens de bezwaarverzekeringsarts, normaal zitten. Ten aanzien van het verstoorde dag- en nachtritme heeft de bezwaarverzekeringsarts gewezen op het advies van revalidatiearts Martens aan appellant om dit ritme te normaliseren. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden bestaat om aan te nemen dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het eigen werk van appellant voor hem geschikt is, zodat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Weliswaar blijkt uit een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige dat bij de werkgever van appellant niet meer exact hetzelfde werk voorhanden is, te weten het inpakken van rekenmachines, maar er is wel sprake van vergelijkbare inpakwerkzaamheden. Het gaat daarbij om zeer licht werk dat geen overschrijding geeft van de belastbaarheid die in de FML is vastgelegd. De benodigde voorzieningen kunnen voor appellant worden geregeld.

3.1. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat met zijn klachten onvoldoende rekening is gehouden en dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing heeft appellant een brief van zijn huisarts C. van Gijn-Roeterink overgelegd, gedateerd 3 juni 2007, waarin zij opmerkt dat de beslissing van het Uwv onbegrijpelijk is en medisch volstrekt onverantwoord en onjuist. Voorts wordt in die brief aangegeven dat appellant door de beslissing van het Uwv in een ernstige depressie is geraakt. Ook is een brief overgelegd van de revalidatiearts A.J.H. Slabbekoorn-Bavinck van 24 mei 2007, waarin wordt aangegeven dat zelfs met voorzieningen als een individueel gemodelleerd zitkussentje het zitten maar kort kan worden volgehouden. Met het zitkussentje treedt transpiratie op en druk op het zitbeen rechts, wat veel pijn geeft. Door de pijn kan appellant de houding niet volhouden en zich niet concentreren. Het komt regelmatig voor dat hij zes keer op een dag moet gaan liggen om de pijn onder controle te houden. Als er sprake is van werk, dient dit zeer geleidelijk opgebouwd te worden, bijvoorbeeld door te starten met twee keer in de week een uur, aldus deze revalidatiearts.

3.2. De hiervoor onder 3.1 genoemde brieven van de huisarts en de revalidatiearts hebben de Raad aanleiding gegeven om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Zoals reeds vermeld in rubriek I heeft de revalidatiearts Rulkens de Raad van verslag en advies gediend. Rulkens heeft in zijn rapport van 3 maart 2009 aangegeven dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts opgestelde FML. Hierbij hoeft geen urenbeperking te gelden. Hij acht appellant in staat tot het verrichten van zijn werkzaamheden als inpakker. Na de behandeling van de zaak ter zitting van 15 mei 2009 heeft de Raad aan Rulkens een nadere motivering gevraagd voor zijn standpunt. Bij brief van 30 september 2009 heeft Rulkens nogmaals aangegeven dat hij appellant in staat acht licht zittend werk te verrichten, mits er adequate aangepaste zitmogelijkheid aanwezig is, waarbij ook regelmatig even van positie gewisseld kan worden. Hij adviseert het zitten en staan af te wisselen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. Dit leidt ertoe dat de Raad de conclusie van de revalidatiearts Rulkens dat de in de FML vastgelegde belastbaarheid juist is en dat het eigen werk voor appellant geschikt is, overneemt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad op 4 december 2009 nog eens heeft benadrukt dat het bij het eigen werk van appellant gaat om een WSW-werkplaats, wat op zichzelf al impliceert dat met de beperkingen van de daar werkzame werknemers rekening wordt gehouden, en dat de werkgever heeft verklaard dat het werk kan worden aangepast aan de situatie van appellant. Ook neemt de Raad in aanmerking dat op diezelfde zitting is komen vast te staan dat de psychische klachten van appellant zijn ontstaan na de datum in geding, 11 mei 2006, en derhalve niet van invloed zijn op de per die datum vastgestelde belastbaarheid.

4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

4.3. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.C.A. Wit.

KR