Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9659

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08/3799 AW + 08/3800 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. In de beschrijving van appellants functie is aangegeven dat het functieniveau afhankelijk is van de formatieomvang. Eerst bij een formatieomvang vanaf 20 mede-werkers wordt schaal 10 passend geacht. Nu evenwel alleen het formatieve aantal functionarissen bepalend is voor het functieniveau kan niet worden gezegd dat de korps-beheerder niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van waardering van appellants functie in schaal 9. Functiebeschrijving. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat zijn positie in vergelijking met de overige functies zo bijzonder is dat de beschrijving van de hoofdtaken in zijn functie niet toereikend is als basis voor de waardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3799 AW + 08/3800 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2008, 06/3664 en 06/924 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijmond (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren en L.M. van den Hil, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In 2002 heeft binnen de politieregio een reorganisatie plaatsgevonden waarbij de voorheen bestaande structuur van basiseenheden is vervangen door een structuur van wijkteams. Bij besluit van 23 juli 2002 heeft de korpsbeheerder appellant, die tot dan toe werkzaam was als [naam functie A] in schaal 9, op zijn verzoek met ingang van 1 augustus 2002 geplaatst in de functie van [naam functie B] [naam wijkteam] van het district [naam district]. Het betrof hier een nieuwe functie waarvan nog geen beschrijving en waardering waren opgemaakt. Het niveau van de functie was voorlopig bepaald op schaal 9 van het Besluit bezoldiging politie. Bij brief van 13 juni 2003 heeft appellant verzocht de door hem vervulde functie hoger in te schalen, gelet onder meer op het aantal medewerkers waaraan hij leiding gaf.

1.2. De korpsbeheerder heeft bij brief van 8 september 2003 aan appellant medegedeeld zijn verzoek op te vatten als een verzoek om functie-onderhoud en op dat moment geen gronden te zien om aan het verzoek te voldoen. Bij besluit op bezwaar van 17 maart 2004 heeft de korpsbeheerder appellants tegen de brief van 8 september 2003 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat die brief louter informatief was en dat daarin geen (op rechtsgevolg gericht) besluit was vervat.

1.3. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 14 maart 2005, 04/1269, appellants beroep tegen het besluit van 17 maart 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de brief van 8 september 2003 weliswaar een besluit inhield tot afwijzing van het verzoek van appellant om functieonderhoud, maar dat ten aanzien van de functie van appellant inmiddels een proces van functiebeschrijving en -waardering in gang was gezet en dat de besluitvorming langs deze weg eerder zou zijn afgerond dan een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van de korpsbeheerder van 8 september 2003. Gelet hierop was de rechtbank van oordeel dat appellant geen in rechte te respecteren belang had bij een beoordeling van het toen bestreden besluit. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

1.4. Bij besluit van 27 augustus 2004 had de korpsbeheerder appellant inmiddels mee-gedeeld dat het functiedossier over de functie van [naam functie B] was vastgesteld. Het functiedossier bestaat uit een takenmatrix en een functiebeschrijving. Ter zitting van de Raad van 11 mei 2006 inzake het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2005 heeft de korpsbeheerder toegezegd dat in het nog te nemen besluit op het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2004 op alle door appellant in de aanhangige procedure aangevoerde argumenten zal worden ingegaan. In verband hiermee is toen het onderzoek ter zitting geschorst. Bij besluit op bezwaar van 25 juli 2006 heeft de korpsbeheerder appellants tegen het functiedossier gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.5. De Raad heeft in zijn uitspraak van 8 maart 2007, 05/2428, op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2005 overwogen dat in dat geding en in het geding bij de rechtbank inzake het besluit van 25 juli 2006 inhoudelijk dezelfde materie aan de orde is, te weten de (juistheid van) de voor appellant op 1 augustus 2002 toe-passelijke functiebeschrijving. Voor (een beoordeling van de noodzaak van) functie-onderhoud - naast (de beoordeling van) de functiebeschrijving - zag de Raad dan ook geen plaats en hij was van oordeel dat de rechtbank onder deze omstandigheden het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.In een overweging ten overvloede heeft de Raad opgemerkt dat van zijn uitspraak losstaat of de korpsbeheerder aan de ter zitting van de Raad gedane toezegging heeft voldaan, welke kwestie (mede) ter beoordeling staat van de rechtbank.

1.6. Bij besluit van 9 juni 2005 is namens de korpsbeheerder de waardering van de functie van [naam functie B] [naam wijkteam] vastgesteld in schaal 9. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant tegen de besluiten van 24 januari 2006 en 25 juli 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat de organieke functie van [naam functie B] juist is beschreven, dat in het besluit van 25 juli 2006 in voldoende mate tot uitdrukking komt dat de door appellant in het kader van het verzoek om functieonderhoud naar voren gebrachte argumenten - overeenkomstig de ter zitting van de Raad door de korpsbeheerder gedane toezegging - door de korpsbeheerder zijn meegewogen en dat niet kan worden gezegd dat de waardering van de functie van [naam functie B] voor onjuist moet worden gehouden.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank de juiste toetsingsmaatstaven heeft aangelegd. Hij stemt voorts in met de uitkomst van de toetsing en kan zich op hoofdlijnen verenigen met hetgeen de rechtbank in dat kader heeft overwogen. De Raad voegt daaraan het volgende toe.

4.2. Functiewaardering (bestreden besluit van 24 januari 2006)

4.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat als uitgangspunt voor de waardering van de functie van [naam functie B] de beschrijving van de referentiefuncties van [naam functie A] (schaal 9) en [naam functie B] (schaal 10) uit de reeks Algemene Politiezorg in ogenschouw dienen te worden genomen. De korpsbeheerder heeft geoordeeld dat de referentiefunctie van [naam functie B] zwaarder is dan de functie van appellant, zodat voor de waardering teruggevallen is op de functie van [naam functie A].

4.2.2. Appellant heeft gesteld dat zijn functie, met name gelet op de hem toebedeelde personeelsbeheersmatige bevoegdheden, waaronder het voeren van functionerings- en beoordelingsgesprekken, en op de door hem verrichte representatieve taken, waaronder het intensieve bestuurlijke contact met externe partners, zoals de voorzitter van de deelgemeente en andere gezagdragers van het lokaal openbaar bestuur, meer overeenkomt met de referentiefunctie van [naam functie B], doch in elk geval hoger dient te worden ingeschaald. De Raad kan appellant niet volgen in die stelling. Daartoe overweegt de Raad allereerst dat appellant niet heeft bestreden de conclusie van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering Politie in het advies van 4 november 2005, welk advies in het bestreden besluit van 24 januari 2006 door de korpsbeheerder geheel is overgenomen, dat een aantal in de referentiefunctie [naam functie B] voorkomende zwaardere taken in het functiedossier van de [naam functie B] niet voorkomt. Verder laat de Raad meewegen dat de korpsbeheerder onweersproken heeft gesteld dat de taken van de [naam functie B] welke niet in de referentiefunctie [naam functie A] voorkomen, alle dienen te worden ingevuld en beoordeeld vanuit het smaller van aard zijnde proces van de wijk-politie, en niet vanuit het ruimer gestelde proces van de basispolitiezorg zoals bij de [naam functie A]. Hoewel in hoger beroep tussen partijen niet langer in geschil is dat appellant de genoemde personeelsbeheersmatige bevoegdheden uitoefent en de Raad niet wil uitsluiten dat de uitoefening van enkele van de representatieve taken door appellant verder gaat dan de in de referentiefunctie van [naam functie A] genoemde taken, is ook de Raad van oordeel dat de referentiefunctie [naam functie B] qua taakinhoud en de niveaubepalende elementen duidelijk zwaarder van aard is dan de functie van [naam functie B].

4.2.3. De gedingstukken laten zien dat de sterkte van het wijkteam [naam wijkteam] ten tijde in geding was vastgesteld op 15,2 formatieplaatsen. Ten aanzien van het niveaubepalend element leidinggeven voldeed appellant daarmee aan het in de referentiefunctie groeps-chef B opgenomen criterium dat leiding wordt gegeven aan een grotere groep van medewerkers. Of het toebedeelde aantal formatieplaatsen wel of niet voldoende is voor de wijk [naam wijkteam], waarvan appellant [naam functie B] is, is een vraag die thans niet in geding is.

4.2.4. In de beschrijving van appellants functie is aangegeven dat het functieniveau afhankelijk is van de formatieomvang. Eerst bij een formatieomvang vanaf 20 mede-werkers wordt schaal 10 passend geacht. Hierover overweegt de Raad dat hij, anders dan appellant, het door de korpsbeheerder gehanteerde uitgangspunt, dat het aantal formatie-plaatsen (toegevoegde aspiranten, roulerende medewerkers uit de DHV en deeltijders niet meegerekend) per wijk bepalend is voor het functieniveau, niet voor onjuist kan houden of onredelijk acht. Appellant heeft gesteld dat door hem feitelijk aan 29 medewerkers, waaronder deeltijders en 11 aspiranten, leiding wordt gegeven, hetgeen de korpsbeheerder op zichzelf genomen niet bestrijdt. Nu evenwel alleen het formatieve aantal functionarissen bepalend is voor het functieniveau kan niet worden gezegd dat de korps-beheerder niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van waardering van appellants functie in schaal 9.

4.3. Functiebeschrijving (bestreden besluit van 25 juli 2006)

4.3.1. De Raad stelt vast dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie rechts-positionele besluiten politieregio Rotterdam-Rijnmond van 8 mei 2006, welk advies door de korpsbeheerder in zijn besluit van 25 juli 2006 is onderschreven en in zijn geheel is overgenomen, op de door appellant in zijn brieven van 13 juni 2003 en 1 oktober 2003 aangevoerde argumenten betreffende de functie-inhoud is ingegaan. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de korpsbeheerder zich daarmee heeft gehouden aan de onder 1.4 genoemde toezegging.

4.3.2. Appellant heeft gesteld dat hij de in de takenmatrix leidinggevende functies op de onderdelen 10, 32, 33, 54, 55 en 58 onder de functie proceshoofd weergegeven taken verricht. De Raad stelt vast dat appellant zijn stelling op deze onderdelen niet heeft uitgewerkt en onderbouwd. De korpsbeheerder heeft verwezen naar de brief van 18 april 2006 van de districtschef van appellant, waarin deze heeft verklaard dat hij geen elementen onderkent in de taakuitoefening van appellant die het functiedossier over-stijgen. De Raad heeft evenals de rechtbank geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van de door de districtschef gegeven uiteenzetting. Appellant heeft ook verder de Raad er niet van kunnen overtuigen dat zijn positie in vergelijking met de overige [naam functie B]s zo bijzonder is dat de beschrijving van de hoofdtaken in zijn functie niet toereikend is als basis voor de waardering.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD