Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08/3821 AW + 09/1850 AW + 09/1531 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van ontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit de publicatie van een boek. In dit boek heeft betrokkene het functioneren van het provinciale bestuur en van zijn leidinggevende op zodanige wijze neergezet als niet integer, onbetrouwbaar en onbekwaam, dat een verdere samenwerking feitelijk onmogelijk is geworden. Bij de beoordeling of een ambtenaar de in artikel 125a, eerste lid, van de AW neergelegde norm heeft overschreden, dient een zekere voorzichtigheid te worden betracht, aangezien in deze bepaling een beperking wordt gegeven op het in de Grondwet verankerde recht van vrije meningsuiting (AK5987). De Raad concludeert, dat betrokkene met het bewuste boek de grenzen van artikel 125a AW heeft overschreden. Plichtsverzuim volledig toerekenbaar. Straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/59

Uitspraak

08/3821 AW, 09/1850 AW en 09/1531 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht, van 30 mei 2008, 07/1623 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellanten

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 8 februari 2009 heeft betrokkene bij de rechtbank Maastricht beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. De rechtbank Maastricht heeft dit beroepschrift doorgezonden naar de Raad.

Bij besluit van 5 maart 2009, gerectificeerd op 11 maart 2009, hebben appellanten ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene.

Betrokkene heeft zijn standpunten schriftelijk nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te

’s-Hertogenbosch. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.1. Betrokkene is op 1 februari 2003 in dienst getreden van de provincie Limburg in de functie van [naam finctie A]

1.2. In een brief van 9 september 2004 aan de verantwoordelijke gedeputeerde en aan zijn directeur W. heeft betrokkene te kennen gegeven het niet eens te zijn met de gang van zaken rond de van provinciewege opgestelde nieuwe OV-visie en voornemens te zijn, zijn ongenoegen daarover kenbaar te maken aan de leden van de Statencommissie Verkeer, Water en Milieu. Daarop is hij door W. gewaarschuwd dat uitvoering van dit voornemen tot een disciplinaire maatregel kan leiden.

1.3. Uiteindelijk heeft betrokkene volgens de Procedureregeling melding misstand provincies een vermoeden van een misstand gemeld. Naar aanleiding daarvan heeft een onafhankelijke externe commissie onderzoek verricht. Bij dit onderzoek is van misstanden niet gebleken.

1.4. Per 1 mei 2005 is betrokkene met zijn instemming overgeplaatst naar de [naam afdeling] in de functie van [naam functie B].

1.5. Bij brief van 1 februari 2006 heeft W. aan betrokkene bericht dat het onderzoek naar het vermoeden van een misstand als afgesloten wordt beschouwd nu gedeputeerde staten hun standpunt hebben bepaald en provinciale staten daarover hebben beraadslaagd. Betrokkene wordt opgedragen in de publiciteit maximale terughoudendheid te betrachten; als hij hieraan geen gevolg geeft zullen passende maatregelen worden genomen. Naar aanleiding van het door betrokkene tegen deze brief gemaakte bezwaar heeft W. bij brief van 2 mei 2006 benadrukt, dat de brief van 1 februari 2006 niet is bedoeld als een (tweede) waarschuwing en dat voor betrokkene dezelfde regels gelden als voor alle ambtenaren bij de provincie Limburg. Daarop heeft appellant bij brief van 4 mei 2006 zijn bezwaar ingetrokken.

1.6. Eind mei 2006 heeft betrokkene aan zijn afdelingshoofd het door hem geschreven boek [naam boek] ter lezing gegeven. De inhoud van dat boek is voor appellanten aanleiding geweest om betrokkene bij besluit van 29 augustus 2006 wegens zeer ernstig plichtsverzuim op grond van artikel G4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling provincies de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, ingaande 1 september 2006. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 28 augustus 2007.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellanten opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft zij overwogen dat geen sprake is van overschrijding van grenzen als gesteld in artikel 125a van de Ambtenarenwet (AW). Immers, ten tijde van het bestreden besluit werkte betrokkene bij een ander dienstonderdeel, waar hij zich niet meer bezighield met openbaarvervoer/ mobiliteit, en geen beleidsfunctie meer vervulde. Bovendien functioneerde hij in zijn nieuwe functie naar tevredenheid. Niet kan worden staande gehouden dat de goede vervulling van de huidige functie van betrokkene of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover verband houdende met die functie, niet in redelijkheid is verzekerd, aldus de rechtbank.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Aan het ontslag is door appellanten in hoofdzaak ten grondslag gelegd, dat betrokkene door publicatie van het boek [naam boek] de grenzen van artikel 125a van de AW heeft overschreden. In dat artikel is, voor zover hier van belang, bepaald, dat de ambtenaar zich dient te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens indien daardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

3.2. In het bijzonder wordt betrokkene verweten dat hij in het bewuste boek op ook voor buitenstaanders en/of niet-ingewijden herkenbare wijze een aan de werkelijkheid ontleend beeld van de provincie Limburg heeft gegeven, dat als zeer kwetsend moet worden aangemerkt voor een aantal personen. In het boek heeft betrokkene het functioneren van het provinciale bestuur en van zijn leidinggevende op zodanige wijze neergezet als niet integer, onbetrouwbaar en onbekwaam, dat een verdere samenwerking feitelijk onmogelijk is geworden.

3.3. In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 2 maart 1995, LJN AK5987) stelt de Raad voorop, dat bij de beoordeling of een ambtenaar de in artikel 125a, eerste lid, van de AW neergelegde norm heeft overschreden een zekere voor-zichtigheid dient te worden betracht, aangezien in deze bepaling een beperking wordt gegeven op het in de Grondwet verankerde recht van vrije meningsuiting. Ook met inachtneming van deze voorzichtigheid dient naar het oordeel van de Raad te worden geconcludeerd, dat betrokkene met het bewuste boek de grenzen van artikel 125a AW heeft overschreden. Daarbij heeft de Raad in het bijzonder het volgende van belang geacht.

3.4. De Raad stelt vast dat blijkens de eigen verklaring van betrokkene van het meer-genoemde boek ruim 20 exemplaren zijn verspreid, en dat daarmee onmiskenbaar sprake is van een “openbaring van gedachten en gevoelens” in de zin van artikel 125a AW.

3.5. De Raad kan betrokkene niet volgen in zijn stelling, dat hij met het boek geen schade heeft toegebracht aan het aanzien van de provincie en daartoe ook niet de intentie heeft gehad, aangezien hij geen publiciteit in de media heeft gezocht, maar juist de provincie aan de publicitaire aandacht debet is. De Raad overweegt hiertoe dat het betrokkene is geweest die met de verspreiding van zijn boek - onder meer door het aan zijn leiding-gevende te geven - een reactie bij de provincie heeft uitgelokt, die hij redelijkerwijze heeft kunnen en moeten voorzien. Voor de daarop gevolgde publicitaire aandacht moet primair betrokkene verantwoordelijk worden gehouden. De Raad wijst er in dit verband nog op dat betrokkene blijkens het voorwoord van zijn boek een wereldwijde vertaling en verspreiding nastreeft.

3.6. Ook de stelling van betrokkene, dat zijn in romanvorm geschreven boek slechts een fictief verhaal bevat en dat de norm van artikel 125a AW reeds daarom niet van toepassing is, kan niet worden aanvaard. Niet alleen de aanduiding van de provincie Limburg, maar ook de beschrijving van gebeurtenissen en daarbij betrokken personen, met inbegrip van hun functies, is dermate concreet en herkenbaar dat aan de lezer onmiskenbaar wordt gesuggereerd dat het in de gewraakte passages om een beschrijving van de realiteit gaat.

3.7. Met appellanten is de Raad voorts van oordeel dat de ongefundeerde weergave van vermeende misstanden en de geringschattende beschrijving van het provinciebestuur en daarbij werkzame personen als een ernstige schending van de in artikel 125a AW vervatte norm is aan te merken. Zulks geldt te meer nu betrokkene uitdrukkelijk is verzocht bij publieke uitingen van zijn mening terughoudend te zijn, nadat provinciale staten als hoogste orgaan na een uitvoerig onderzoek over de vermeende misstand, waarbij ook betrokkene zijn inbreng heeft gehad, een definitief standpunt over deze kwestie hadden bepaald. Hieraan wordt, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet afgedaan door het feit dat betrokkene ten tijde van belang inmiddels bij een ander dienstonderdeel van de provincie werkte, waar hij zich niet meer bezighield met openbaar vervoer/mobiliteit of met beleid. Appellanten hebben er terecht op gewezen, dat in het boek niet zozeer het beleid inzake openbaar vervoer of mobiliteit aan de kaak wordt gesteld, maar de integriteit van het provinciaal bestuur in zijn algemeenheid en van de leidinggevende van betrokkene, die ook na de functiewisseling van betrokkene diens leidinggevende bleef, en dat hierin ook een belemmering was gelegen voor handhaving van betrokkene in zijn nieuwe functie.

3.8. Concluderend is de Raad van oordeel, dat betrokkene zich - volledig toerekenbaar - aan dermate ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt, dat de straf van onvoor-waardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is.

3.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellanten slaagt. De aangevallen uitspraak dient voor zover aangevochten te worden vernietigd en het door betrokkene bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 28 augustus 2007 moet ongegrond worden verklaard. Het beroep van betrokkene tegen het uitblijven van een nieuw besluit wordt, reeds omdat gedeputeerde staten op 5 maart 2009 een nieuw besluit op bezwaar hebben genomen, niet-ontvankelijk verklaard omdat het procesbelang aan dat beroep is komen te ontvallen. Het nieuwe besluit op bezwaar van 5 maart 2009 wordt, nu door de vernietiging van de aangevallen uitspraak de grondslag aan dat besluit is komen te ontvallen, vernietigd.

4. De Raad ziet tot slot aanleiding om appellanten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 40,10 wegens reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2007 ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;

Vernietigt het besluit van 5 maart 2009;

Veroordeelt appellanten in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 40,10.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD