Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9419

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
08-1022 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Besluit is niet op rechtsgevolg gericht, en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1022 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2007, 06/5716 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 december 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 5 april 2004 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 14 mei 2001 tot en met 18 oktober 2002 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 4.473,31 bruto teruggevorderd. Bij dat besluit heeft het College vermeld dat de vordering niet eerder met zijn uitkering zal worden verrekend dan nadat appellant zijn lening bij [naam bank] heeft afgelost. Bij besluit van 15 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2004 met toepassing van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant van de hem bij brief van 8 november 2004 geboden gelegenheid om de gronden van het bezwaar aan te voeren, geen gebruik heeft gemaakt. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft het College, onder verwijzing naar het besluit van 5 april 2004, appellant meegedeeld dat er een vordering openstaat van € 4.473,31 en dat ter aflossing daarvan met ingang van 1 september 2006 een bedrag van € 26,92 per maand op zijn uitkering wordt ingehouden. Tevens zal de opgebouwde vakantietoeslag niet worden uitbetaald, maar worden verrekend met de openstaande vordering.

1.3. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2006 voor zover gericht tegen de mededeling inzake de openstaande vordering van het College op appellant niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

21 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de mededeling over de hoogte van het terugvorderingsbedrag in het besluit van 29 augustus 2006 niet op rechtsgevolg is gericht, en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Uit hetgeen in 1.1 is vermeld volgt dat over deze vordering in het verleden al een in rechte vaststaand besluit is genomen. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2006 voor zover gericht tegen mededeling over de hoogte van de openstaande vordering terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Een inhoudelijke beoordeling van hetgeen door appellant ter zake is aangevoerd dient dan ook achterwege te worden gelaten.

4.2. Met betrekking tot de wijze van invordering heeft appellant een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zoals de Raad herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht, kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die belanghebbende gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in dit geval geen sprake. Aan het gegeven dat ter aflossing van de schuld aan [naam bank] geen verrekening met het vakantiegeld heeft plaatsgevonden kon appellant niet een in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat het College ter aflossing van de onderhavige vordering niet tot verrekening met het vakantiegeld zou overgaan. Ook overigens is op grond van de gedingstukken niet gebleken dat door het College zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns

(get.) R.L.G. Boot.

RB