Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
08-1920 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. De in geding zijnde kosten zijn gemaakt op 17 februari 2005, 24 februari 2005 en 9 maart 2005 en appellant heeft eerst op 3 oktober 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten ingediend. De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening voor de onderhavige kosten met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Weigering tot toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van een magnetron is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van een aanvraag om bijstand voor deze kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1920 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 februari 2008, 07/1324 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 december 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 3 oktober 2006 bijzondere bijstand aangevraagd - voor zover in dit geding van belang - voor diverse tandheelkundige behandelingen tot een bedrag van € 258,25. De desbetreffende behandelingen hebben plaatsgevonden op 17 februari 2005, 24 februari 2005, 9 maart 2005 en 16 december 2005. Bij besluit van 7 december 2006 heeft het College bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 70,50 voor de kosten die verband houden met de behandeling op 16 december 2005. Bij besluit van 8 december 2006 heeft het College de aanvraag voor de kosten in verband met de overige behandelingen afgewezen op de grond dat de kosten langer dan twaalf maanden geleden zijn gemaakt.

1.2. Bij besluit van 8 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2006 ongegrond verklaard. Tevens heeft het College het bezwaar van appellant tegen de weigering tot toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van een magnetron niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

8 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), stelt het College het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.2. Het College voert het beleid dat een vergoeding van medische kosten moet worden aangevraagd binnen één jaar nadat de kosten zijn gemaakt. De Raad overweegt dat dit beleid moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van het beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

4.2. De Raad stelt, hiervan uitgaande, vast dat de besluitvorming van het College in overeenstemming is met het door hem gehanteerde beleid. De in geding zijnde kosten zijn gemaakt op 17 februari 2005, 24 februari 2005 en 9 maart 2005 en appellant heeft eerst op 3 oktober 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten ingediend. De Raad ziet voorts, ook los van het beleid van het College, geen bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening voor de onderhavige kosten met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.3. Voor zover de grieven van appellant zich richten tegen de weigering tot toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van een magnetron is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van een aanvraag om bijstand voor deze kosten, zodat het College het bezwaar van appellant op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R.L.G. Boot.

mm