Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
08-1 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbevoegdverklaring van het hoger beroep. Geen sprake van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 november 2007, 07/3812 en 07/3813 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J. Mertens en

J.K. Petersen, werkzaam bij de gemeente Woensdrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Naar aanleiding van informatie over het verbruik van water, gas en elektriciteit op het adres [adres A] te [woonplaats] heeft de Sociale Recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante op 2 mei 2007 verhoord. De resultaten van dit verhoor zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 mei 2007 de bijstand met ingang van dezelfde datum op te schorten (lees: de uitbetaling van de bijstand te blokkeren). Bij ongedateerd besluit, verzonden op 20 september 2007, heeft het College het tegen het besluit van 2 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: besluit I).

1.2. Bij besluit van 20 juni 2007 heeft het College het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2007 beëindigd. Tevens heeft het College bij dat besluit het recht op bijstand van appellante met ingang van 10 juli 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 10 juli 2004 tot en met 30 april 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 35.333,38 van haar teruggevorderd (besluit II). Het tegen het besluit van 20 juni 2007 gemaakte bezwaar heeft het College bij ongedateerd besluit, verzonden op 9 januari 2008, gegrond verklaard in die zin dat de periode van intrekking nader is gemarkeerd van 10 juni 2007 (lees: 10 juli 2004) tot 1 mei 2007. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Appellante heeft tegen besluit I beroep ingesteld bij de rechtbank en tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Hangende het tegen besluit II gemaakte bezwaar, heeft appellante aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om ook ten aanzien van dat besluit een voorlopige voorziening te treffen.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft ten aanzien van besluit I het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van besluit II heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter dat appellante vanaf 10 juli 2004 niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres [adres A] te [woonplaats].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, hangende het bezwaar tegen besluit II, is afgewezen, een uitspraak is als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Awb.

4.2. In artikel 18, tweede lid, aanhef, en onder d, van de Beroepswet is bepaald dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.

4.3. Voor kennisneming van een appèl in weerwil van deze bepaling kan naar vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier niet voordoet. Hij dient zich dan ook onbevoegd te verklaren voor zover het hoger beroep betrekking heeft op het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat appellante over de periode van 10 juli 2004 tot en met 1 mei 2007 niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd ter zake van het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ