Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
07-7085 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid niet juist hebben verwoord in de FML. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan de informatie die de verzekeringsarts K. Kok kreeg van de neuroloog A.J. Breukelman en de internist W.B. Frijlink en waaruit geen ziektebeeld naar voren komt dat leidt tot een onvermogen om arbeid te verrichten. De Raad acht van belang de uitkomst van het psychologisch onderzoek dat op verzoek van CWI in het kader van de WSW-melding van appellant werd verricht door de aan Arbo Unie verbonden psycholoog S. Bolleman. De arbeidsdeskundige heeft een viertal functies geselecteerd die voor appellant geschikt worden geacht: flexoperator elektronica-industrie (Sbc-code 111180), medewerker kassa & controle (Sbc-code 316011), coupeuse (Sbc-code 272043) en centralist (Sbc-code 315120). De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de (bezwaar)arbeidsdeskundigen met de rapportages voldoende hebben toegelicht dat die functies in medisch opzicht door appellant kunnen worden vervuld. Met het vervallen van de functies van flexoperator elektronica-industrie en medewerker kassa & controle resteren twee functies. Dat is voor een schatting onvoldoende. Ondeugdelijke arbeidskundige grondslag. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7085 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 13 november 2007, 07/180

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. van de Wijnckel, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 31 juli 2009 heeft appellant aanvullende beroepsgronden en medische gegevens ingezonden. Het Uwv heeft gereageerd met bij brieven van 14 augustus 2009 en 16 november 2009 toegezonden rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. Voor appellant is mr. Van de Wijnckel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 3 november 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 2 februari 2007. Nadat door appellant tegen dit besluit beroep was ingesteld, heeft het Uwv zijn bezwaar bij besluit van 21 mei 2007 alsnog gegrond verklaard. Aan dit laatste besluit ligt een rapportage ten grondslag van de bezwaararbeidsdeskundige die uitgaat van een urenomvang van de maatman van 51,88 uur per week in plaats van 38 uur per week en de mate van arbeidsongeschiktheid berekent op 36,3%. Appellant heeft met ingang van 3 november 2006 recht gekregen op een WGA-uitkering. Hij heeft zijn beroep gehandhaafd omdat hij van mening is dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant bij de beoordeling van dat besluit geen belang meer heeft. Het beroep tegen het besluit van 21 mei 2007 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat een zorgvuldige medische beoordeling heeft plaatsgevonden en in de door appellant ingebrachte medische informatie geen aanleiding kan worden gevonden om de beschrijving van zijn beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor onjuist te houden. Het Uwv heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de belasting in de functies, die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn. Hij heeft verder gesteld dat de beslissing van de rechtbank om het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2006 niet-ontvankelijk te verklaren onjuist is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft terecht opgemerkt dat zijn beroep niet was gericht tegen het besluit van 5 oktober 2006 maar tegen het besluit van 2 februari 2007. De vaststelling dat voor appellant geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan heeft het Uwv niet gehandhaafd. De rechtbank had het beroep tegen het besluit van 2 februari 2007 gegrond moeten verklaren en dat besluit moeten vernietigen met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Reeds om die reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen behoudens voor zover de rechtbank daarbij het Uwv veroordeelde in de proceskosten van appellant en bepaalde dat aan hem het griffierecht moet worden vergoed.

4.2.1. De Raad volgt de rechtbank wel in haar oordeel over de FML. Ook de Raad is niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid op de in geding zijnde datum van 3 november 2006 niet juist hebben verwoord in de FML van 21 september 2006. De bezwaarverzekeringsarts

T.J.A. Boel, die in hoger beroep heeft gerapporteerd, heeft aan de hand van de door appellant ingebrachte informatie van zijn behandelend artsen vastgesteld dat zijn beperkingen eind 2008 of begin 2009 zijn toegenomen. De revalidatiearts A.C. Hagedoorn maakt in zijn brief van 14 mei 2009 melding van bij een neuropsychologisch onderzoek gebleken zeer forse cognitieve stoornissen in een mate die ook de behandelaars van appellant hebben verrast en aanleiding zijn geweest voor adviezen met betrekking tot de deelname aan het verkeer. Anders dan appellant voorstaat, kan de Raad uit die brief niet afleiden dat ook al in 2006 sprake moet zijn geweest van dezelfde, maar toen niet onderkende, tekortkomingen in het mentale functioneren van appellant. De Raad acht de door Boel aangenomen verslechtering van de gezondheidstoestand aannemelijk. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan de informatie die de verzekeringsarts K. Kok kort voor de datum in geding kreeg van de neuroloog A.J. Breukelman en de internist W.B. Frijlink en waaruit geen ziektebeeld naar voren komt dat leidt tot een onvermogen om arbeid te verrichten. Breukelman stelt in zijn brief van 8 september 2006 dat appellant ondanks enige evenwichtsproblemen fietste en dat de controles in overleg met hem in 2005 werden beëindigd. Frijlink maakt in zijn brief van 18 september 2006 melding van gewijzigde medicatie waarna gemiddelde bloeddrukken werden geregistreerd.

4.2.2. Ook van belang acht de Raad de uitkomst van het psychologisch onderzoek dat op verzoek van CWI in het kader van de WSW-melding van appellant werd verricht door de aan Arbo Unie verbonden psycholoog S. Bolleman op 2 november 2006. Uit zijn verslag komt naar voren dat een gebrek aan concentratie en geheugenproblemen, die het gevolg kunnen zijn van de cerebrale problematiek, bij de door hem uitgevoerde tests niet zijn vastgesteld. Hij acht appellant in staat om eenvoudig repeterend werk te doen.

4.2.3. De verzekeringsarts Kok heeft aangenomen dat appellant ten tijde van zijn onderzoek gedurende een gangbare werkweek van acht uur per dag en 40 uur per week zou kunnen functioneren in routinematige, niet te stresserende en ook cognitief niet al te belastende werkzaamheden, die voorts niet zwaar fysiek belastend zijn of op hoogten en anderszins gevaarlijke plaatsen moeten worden verricht. De Raad stelt vast dat Kok de arbeidsmogelijkheden van appellant niet wezenlijk anders inschatte dan Bolleman. Een minder dan normale prestatie van appellant lijkt Bolleman alleen te verwachten in werksituaties waarin appellant eigen regelmogelijkheden heeft. Met betrekking tot de urenomvang geeft hij niet meer dan een advies om met halve dagen te starten.

4.2.4. De beroepsgrond van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts heeft nagelaten de medische bevindingen mee te wegen die hebben geleid tot het besluit van CWI van 9 januari 2007 dat appellant behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening, slaagt niet. Uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Boel van 30 november 2006 blijkt dat hij bekend was met de rapportage van Bolleman. Dat aan de indicatiestelling onderzoeken door andere artsen zijn voorafgegaan, is de Raad niet gebleken.

4.3.1. De arbeidsdeskundige heeft een viertal functies geselecteerd die voor appellant geschikt worden geacht: flexoperator elektronica-industrie (Sbc-code 111180), medewerker kassa & controle (Sbc-code 316011), coupeuse (Sbc-code 272043) en centralist (Sbc-code 315120). Voor zover in het Resultaat functiebeoordeling van die functies sprake is van zogenaamde signaleringen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de (bezwaar)arbeidsdeskundigen J. Welleman en W. Heijmans met de rapportages van 2 oktober 2006 respectievelijk 1 februari 2007 voldoende hebben toegelicht dat die functies in medisch opzicht door appellant kunnen worden vervuld.

4.3.2. Appellant heeft terecht gesteld dat de rechtbank heeft verzuimd de door appellant aangevoerde beroepsgronden te beoordelen waarmee de geschiktheid van de functies in arbeidskundig opzicht ter discussie wordt gesteld. Appellant heeft betoogd dat de functie van flexoperator elektronica-industrie niet voor hem geschikt is, omdat hij niet in staat is het vereiste diploma te halen. De functie van medewerker kassa & controle is niet geschikt, omdat het hem ontbreekt aan de voor de functie benodigde spreekvaardigheid Duits en Engels.

4.3.3. De Raad is van oordeel dat met de in 4.3.1 genoemde arbeidskundige rapportages van Welleman en Heijmans noch met de in hoger beroep door het Uwv ingebrachte rapportage van Heijmans van 5 november 2009 voldoende is komen vast te staan dat appellant voldoet aan de opleidingseisen die in de Arbeidsmogelijkhedenlijst worden vermeld voor de functies van flexoperator elektronica-industrie en medewerker kassa & controle.

4.3.4. Gelet op het feit dat in de FML is opgenomen dat appellant beperkt is in zijn persoonlijk functioneren met als toelichting “ lichte-matige cognitieve klachten/beperkingen. Daarom niet langdurig achtereen taken, die forse cognitieve belasting vergen” en psycholoog Bolleman heeft vastgesteld dat appellant hulpmiddelen behoeft als hij moet handelen volgens meer complexe instructies, komt het de Raad niet aannemelijk voor dat appellant in staat kan worden geacht om na indiensttreding het diploma MBO tweede niveau elektronicamonteur te behalen. Dat appellant in het verleden opleidingen heeft gevolgd die hem op VMBO-niveau hebben gebracht en dat appellant volgens zijn eigen opgave zijn dagen vult met boeken lezen, zijn naar het oordeel van de Raad geen argumenten waarmee kan worden onderbouwd dat appellant aan de opleidingseis kan voldoen. De meer dan 30 jaar geleden behaalde diploma’s zeggen niets over het leervermogen van appellant met de cognitieve beperkingen die hij nu heeft. Met betrekking tot lezen heeft appellant in het vragenformulier, dat hij op

30 augustus 2006 invulde, ook vermeld dat hij bij lezen onder aan de bladzijde het begin weer is vergeten.

4.3.5. De (bezwaar)arbeidsdeskundigen hebben, zonder enig nader onderzoek naar de spreekvaardigheid van appellant in de Duitse en Engelse taal, gesteld dat hij voldoet aan de taaleis die geldt voor de medewerker kassa & controle. Appellant heeft betwist dat hij in beide talen een goede spreekvaardigheid heeft. Naar het oordeel van de Raad volgt uit het feit dat appellant op de LTS onderwijs in de Engelse taal heeft genoten en uit het feit dat hij als buschauffeur en vrachtwagenchauffeur trajecten door Duitsland heeft gereden niet dat hij beschikt over een spreekvaardigheid die als “goed” kan worden gekwalificeerd en toereikend is om aan bezoekers van een attractie- en dierenpark diverse mondelinge informatie te verstrekken in de Duitse en de Engelse taal.

4.3.6. Met het vervallen van de functies van flexoperator elektronica-industrie en medewerker kassa & controle resteren twee functies. Dat is voor een schatting onvoldoende.

5. De Raad komt tot de conclusie dat het besluit van 21 mei 2007 op een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag berust en om die reden niet in stand kan blijven. Het Uwv zal opnieuw moeten beslissing op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand stelt de Raad op een bedrag van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij werd beslist over vergoeding van proceskosten en griffierecht door het Uwv aan appellant;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 februari 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 mei 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv opnieuw beslist op het bezwaar van appellant;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en M. Greebe en

C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR