Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
07-6855 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering, aangezien appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende rekening gehouden met de gevolgen van de geconstateerde fibromyalgie en voldoende aannemelijk gemaakt dat voor het aannemen van meer of zwaardere beperkingen geen reden bestaat. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6855 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 31 oktober 2007, 07/561

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. Smit, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift overgelegd.

Bij fax-bericht van 19 maart 2009 heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Smit, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

Bij fax-bericht van 22 juli 2009 heeft appellant, desgevraagd, nadere medische stukken overgelegd.

Bij brief van 20 augustus 2009, met als bijlagen rapporten van zowel een bezwaarverzekeringsarts als een bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is wederom ter zitting behandeld op 25 november 2009, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Smit, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als zelfstandige in een auto-cleaning bedrijf, heeft in januari 2006 bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend in verband met spier- en gewrichtsklachten. Ten aanzien van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft appellant vermeld dat die ligt in november 2003.

1.2. De verzekeringsarts heeft appellant op 3 juli 2006 gezien. Uit de anamnese blijkt dat appellant al jaren last heeft van een zeurderig en pijnlijk gevoel in spieren en gewrichten. In december 2002 is hij doorverwezen naar de reumatoloog, die bij onderzoek geen duidelijke afwijkingen heeft gevonden en de diagnose fibromyalgie heeft gesteld. De verzekeringsarts heeft op basis van zijn bevindingen uit eigen onderzoek en verkregen informatie van de behandelend sector, waaronder een afschrift medische kaart van appellants huisarts, de eerste ziektedag vastgesteld op 10 december 2002, de dag waarop appellant voor het eerst zijn huisarts bezocht. Appellant is per einde wachttijd, te weten

8 december 2003, belastbaar geacht overeenkomstig de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 augustus 2006.

1.3. Hiervan uitgaande heeft een arbeidsdeskundige met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 25% berekend. Bij besluit van

2 januari 2007 heeft het Uwv appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAZ geweigerd, op de grond dat appellant met ingang van 8 december 2003 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 16 april 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit toereikend geoordeeld. Omdat het Uwv pas in beroep een voldoende motivering heeft gegeven van de passendheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2007 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, waarbij zij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

3.1. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de medische beperkingen en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant. Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn klachten en beperkingen al jaren voor 2002 zijn begonnen. Ter onderbouwing van dit standpunt is een afschrift van de medische kaart (hierna: AMK) overgelegd. Voorts is een brief van dermatoloog P.M. Ossenkoppele van 19 juni 2009 in het geding gebracht.

3.2. Het Uwv heeft in verweer, mede gelet op de inhoud van het AMK en de brief van de behandelend dermatoloog, gepersisteerd bij de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de juistheid van de opgestelde FML. Een bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapport van 18 augustus 2009 geconcludeerd dat uit de dermatologische informatie blijkt dat sprake is van seborrhoisch eczeem en dat deze informatie geen nieuw licht werpt op de medische situatie ten tijde in geding. Voorts heeft een bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 20 augustus 2009 de ongeschiktheid van appellant voor het verrichten van zijn eigen werk toegelicht.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Evenals de rechtbank ziet de Raad onvoldoende reden om het Uwv niet te volgen in de vaststelling van de zogenoemde eerste arbeidsongeschiktheidsdag op

10 december 2002. Weliswaar blijkt uit het door appellant in hoger beroep overgelegde AMK dat hij reeds in juli 1998 zijn huisarts met gewrichtsklachten bezocht, maar de gedingstukken bevatten naar het oordeel van de Raad geen gegevens die er op duiden dat appellant voor 10 december 2002 gedurende een relevante periode niet in staat is geweest zijn werkzaamheden in de volle omvang te verrichten. Overigens blijkt uit het AMK dat appellant eerst in december 2002 aangeeft door zijn klachten problemen in zijn werk te ondervinden en dat hij in die maand door de huisarts naar de reumatoloog is verwezen. Tot slot overweegt de Raad dat uit de gedingstukken blijkt dat de echtgenote van appellant sinds 2002 in het bedrijf werkzaam is. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv, mede gelet op het het hiervoor overwogene, bij de beoordeling van de aanspraken van appellant terecht uitgegaan van de datum 10 december 2002.

4.4. Voorts heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellant bestaande medische beperkingen en zijn functionele mogelijkheden ten tijde hier in geding en maakt deze tot de zijne. Daaraan voegt hij nog toe dat appellant door de artsen van het Uwv conform de FML van 10 augustus 2006 tot de normaalwaarden belastbaar is geacht. De verzekeringsarts en de bezwaarverzeke-ringsarts, hebben naar het oordeel van de Raad blijkens hun rapportages voldoende rekening gehouden met de gevolgen van de geconstateerde fibromyalgie en voldoende aannemelijk gemaakt dat voor het aannemen van meer of zwaardere beperkingen geen reden bestaat. De in hoger beroep door appellant overgelegde medische informatie was voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding het eerder ingenomen standpunt met betrekking tot appellants belastbaarheid te wijzigen. De Raad ziet geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden.

6.5. Aldus uitgaande van de juistheid van de vaststelling dat appellant belastbaar is voor arbeid conform de in de FML opgenomen normaalwaarden is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

6.6. Ten aanzien van de arbeidskundige gronden van het hoger beroep verwijst de Raad naar de door een bezwaararbeidskundige, in rapporten van 22 juni 2007 en 20 augustus 2009, gemotiveerd ingenomen standpunten. Namens appellant is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze standpunten voor onjuist gehouden dienen te worden.

6.7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG