Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK9205

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
08-4566 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen medische gronden voor urenbeperking. Psychische beperkingen in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4566 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2008, 07/8029 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in juni 1996 uitgevallen voor haar werk als visverwerkster in verband met psychische klachten. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is aan appellante met ingang van 18 juni 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellante is in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten herbeoordeeld, in welk verband zij op 29 maart 2007 onderzocht is door de verzekeringsarts E.M.J. Hellemons. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar beperkingen, zoals weergegeven op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige J. Schaap een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellante en waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 mei 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 juli 2007 ingetrokken.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker op basis van dossierstudie en aanvullende informatie van de neuropsychiater G.T. Calor en observatie tijdens de hoorzitting in zijn rapportage van 16 oktober 2007 aangegeven dat de beoordeling door de primaire verzekeringsarts wordt onderschreven en dat appellante geschikt is voor passend werk conform de FML. Onder verwijzing naar deze rapportage heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 mei 2007 bij besluit van 18 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en geoordeeld dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de belasting van de geduide functies past binnen de opgestelde FML en dat afdoende is gemotiveerd waarom de signaleringen geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook op goede gronden vastgesteld dat in vergelijking met het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt en mitsdien terecht de uitkering van appellante met ingang van 26 juli 2007 ingetrokken.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar in 2003, mede op basis van een uitgebracht expertiserapport door de psycholoog drs. J.F.L.M. van Kemenade, slechts voor 20 uur per week belastbaar heeft geacht en dat haar situatie sedertdien ongewijzigd is. Volgens appellante moet deze urenbeperking dan ook op de thans in geding zijnde datum nog steeds in aanmerking worden genomen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat in de rapportages inzichtelijk en overtuigend is gemotiveerd welke beperkingen voor appellante op de datum in geding gelden bij het verrichten van arbeid. In zijn rapportage van 29 maart 2007 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat er grond bestaat tot het stellen van psychische beperkingen, met name ten aanzien van doelmatig handelen en het uiten van gevoelens. Daarnaast is er sprake van een zeer beperkte stresstolerantie, zodat appellante ook beperkt is ten aanzien van werkdruk, conflicterende functie-eisen en conflicthantering. Ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico wordt appellante beperkt geacht met betrekking tot het werken op hoogte en in de buurt van gevaarlijke machines. Samengevat komt het er volgens de verzekeringsarts op neer dat appellante is aangewezen op routinematige werkzaamheden, die aan weinig veranderingen onderhevig zijn en die zij in een rustige en vertrouwde omgeving kan verrichten. Op fysiek gebied heeft de verzekeringsarts beperkingen vastgesteld ten aanzien van rugbelasting en aangegeven dat er op energetische gronden reden is tot het stellen van beperkingen ten aanzien van fysiek belastende werkzaamheden. Volgens de verzekeringsarts is er, indien met al deze beperkingen rekening wordt gehouden, geen grond om tevens een urenbeperking te stellen op energetische dan wel preventieve gronden.

Ten aanzien van de door appellante geclaimde urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 16 oktober 2007 uitdrukkelijk aangegeven dat de in het verleden aanvaarde urenbeperking niet is gemotiveerd en dat een deugdelijke motivering van een urenbeperking ook thans niet is te geven. Er is geen sprake van beperking in aanwezigheid op een eventuele werkplek vanwege op dat moment noodzakelijke behandeling, er is geen energetische urenbeperking zolang de activiteiten passend zijn (en dus voldaan wordt aan de in de FML gestelde voorwaarden) en onder dezelfde beschermende voorwaarden van de FML is een urenbeperking volgens de bezwaarverzekeringsarts niet te rechtvaardigen vanuit medisch preventief oogpunt. Met genoemde rapportages is naar het oordeel van de Raad voldoende kenbaar en draagkrachtig gemotiveerd, dat er -anders dan in 2003- geen medische gronden zijn om in de op de datum in geding van toepassing zijnde FML een urenbeperking op te nemen. Nu in hoger beroep door appellante geen andersluidende medische gegevens zijn ingebracht, kan de enkele verwijzing naar de in 2003 uitgebrachte rapportage door de psycholoog Van Kemenade niet leiden tot het oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt van het Uwv in rechte geen stand kan houden.

4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM