Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
08-6714 WAJONG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nader besluit. Toekenning (volledige) Wajong-uitkering met terugwerkende kracht van één jaar. Geen bijzonder geval. Onbekendheid met de wet. Het Uwv diende (...), nadat na vernietiging door de rechtbank van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 22 februari 2007 alsnog als nader standpunt was ingenomen dat appellante wel in aanmerking kon komen voor een volledige uitkering ingevolge de Wajong, in het kader van de voorliggende volledige heroverweging in bezwaar ook - voor het eerst - een standpunt te bepalen inzake de aanwezigheid van een bijzonder geval dat de weg zou kunnen openen naar toekenning van die uitkering met een verdere terugwerkende kracht dan één jaar, zoals door appellante voorgestaan. Het neerleggen van dat standpunt in een nieuw primair besluit zou, naar ter zitting expliciet door de gemachtigde van appellante is erkend, in strijd komen met de gehoudenheid van het Uwv zijn primaire besluit volledig te heroverwegen en zou een ingevolge vaste rechtspraak juist niet toegestane getrapte besluitvorming hebben opgeleverd. Ten materiële geldt dat de Raad zich volledig kan vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6714 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 oktober 2008, 08/51 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. Voor appellante is verschenen mr. Brouwer, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en het Uwv als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiseres, geboren [in] 1969, is afkomstig uit Ethiopië. In het kader van gezinshereniging is zij op 6 september 1986 naar Nederland gekomen.

In verband met een aangeboren oogafwijking heeft zij op 8 september 2006 een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend.

Bij besluit van 10 november 2006 heeft verweerder bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Hiertoe is overwogen dat eiseres reeds bij vestiging in Nederland volledig arbeidsongeschikt was, zodat verweerder deze arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 10 november 2006 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 27 september 2007 (in de zaak met procedurenummer 07/306 WAJONG) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 22 februari 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, waarbij verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres.

Bij het thans bestreden besluit van 18 december 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 10 november 2006 alsnog gegrond verklaard en besloten haar met ingang van 8 september 2005 (derhalve met een terugwerkende kracht van één jaar) een Wajong-uitkering toe te kennen gebaseerd op 80-100% arbeidsongeschiktheid.”

1.2. De standpunten van partijen zijn door de rechtbank als volgt weergegeven:

“Naar de mening van verweerder is geen sprake van een bijzonder geval op grond waarvan de Wajong-uitkering kan worden toegekend met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiseres heeft aangegeven, dat zij wegens onbekendheid met de wet niet eerder een Wajong-uitkering heeft aangevraagd, en dat dit ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep geen bijzonder geval oplevert.

Volgens eiseres is wel degelijk sprake van een bijzonder geval als vorenbedoeld. Eiseres heeft ter onderbouwing naar voren gebracht dat zij destijds op 16 jarige leeftijd vanuit Ethiopië naar Nederland is gekomen, dat zij toen al heel slecht kon zien en dat zij de Nederlandse taal niet machtig was. Volgens eiseres kon zij niet weten dat zij als gevolg van haar medische beperkingen in aanmerking zou kunnen komen voor een Wajong-uitkering, en had zij hier eerder op gewezen kunnen worden. Door een en ander niet bij de besluitvorming te betrekken is het bestreden besluit volgens eiseres onzorgvuldig tot stand gekomen.”

1.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.4. Met betrekking tot de in dit geding centraal staande vraag of het Uwv terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede volzin van de Wajong, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak als volgt overwogen en geoordeeld:

“De rechtbank stelt vast dat het thans aanhangige geschil de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende Wajong-uitkering betreft, en is toegespitst op de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong.

Hiervan is volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder meer sprake, indien de aanvrager ter zake van een te late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de periode voor en vanaf de meerderjarigheid van een belanghebbende. Dit betekent dat voor de vraag of sprake is van een bijzonder geval tot het tijdstip dat betrokkene meerderjarig was de omstandigheden van zijn wettelijk vertegenwoordigers, zijnde de ouders van betrokkene, in aanmerking dienen te worden genomen en dat vanaf dat tijdstip in beginsel de omstandigheden van betrokkene zelf dienen te worden beoordeeld.

Op grond van de beschikbare gegevens is de rechtbank niet gebleken van bij de ouders bestaande belemmeringen om de belangen van eiseres tot haar meerderjarigheid te behartigen. Evenmin is de rechtbank gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat eiseres vanaf haar meerderjarigheid niet in staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen. Eiseres had hiervoor desgewenst ook hulp kunnen inroepen van bijvoorbeeld haar echtgenoot.

Gelet op het voorgaande kan de jeugdige leeftijd waarop eiseres vanuit Ethiopië naar Nederland kwam evenmin als haar visuele handicap en haar stelling dat zij de Nederlandse taal niet machtig was, naar het oordeel van de rechtbank leiden tot de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval in vorenbedoelde zin. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan onbekendheid met de wet c.q. met het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering evenmin een bijzonder geval opleveren. Ook de door eiseres ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid, dat pas later is vastgesteld dat zij arbeidsongeschikt is, levert naar het oordeel van de rechtbank geen bijzonder geval als vorenbedoeld op. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag wordt toegekend, en dat het in overeenstemming is met de gebruikelijke procedure dat de mate van arbeidsongeschiktheid eerst naar aanleiding van de aanvraag wordt vastgesteld.

De rechtbank ziet niet in dat verweerder nog nader onderzoek had moeten verrichten ter beoordeling van de vraag of in het geval van eiseres sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de betrokken medewerker van de afdeling bezwaar en beroep van het UWV op 18 december 2007 met het oog op de nader te nemen beslissing op bezwaar (het thans bestreden besluit) telefonisch contact heeft opgenomen met de toenmalige gemachtigde van eiseres, die volgens de daarvan opgemaakte telefoonnotitie van diezelfde datum desgevraagd heeft aangegeven dat uitsluitend onbekendheid met de wet heeft bewerkstelligd dat de uitkering niet eerder is aangevraagd, zodat toekenning met terugwerkende kracht van een jaar haar juist voorkomt.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat het thans bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep dan ook ongegrond dient te worden verklaard.”

2.1. Hetgeen appellante in het aanvullend beroepschrift in hoger beroep doet aanvoeren komt neer op een herhaling van haar eerder naar voren gebrachte stellingen.

2.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante ook nog gesteld dat het Uwv ten onrechte zijn standpunt inzake de afwezigheid van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede volzin van de Wajong, niet bij een nieuw primair besluit bekend heeft gemaakt, in welk verband de gemachtigde erop heeft gewezen dat het primaire besluit van 10 november 2006 daarover nog geen beslissing bevatte.

3.1. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, stelt de Raad vast dat de gemachtigde dat standpunt - terecht - niet langer heeft gehandhaafd. Het Uwv diende immers, nadat na vernietiging door de rechtbank van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 22 februari 2007 alsnog als nader standpunt was ingenomen dat appellante wel in aanmerking kon komen voor een volledige uitkering ingevolge de Wajong, in het kader van de voorliggende volledige heroverweging in bezwaar ook - voor het eerst - een standpunt te bepalen inzake de aanwezigheid van een bijzonder geval dat de weg zou kunnen openen naar toekenning van die uitkering met een verdere terugwerkende kracht dan één jaar, zoals door appellante voorgestaan. Het neerleggen van dat standpunt in een nieuw primair besluit zou, naar ter zitting expliciet door de gemachtigde van appellante is erkend, in strijd komen met de gehoudenheid van het Uwv zijn primaire besluit volledig te heroverwegen en zou een ingevolge vaste rechtspraak juist niet toegestane getrapte besluitvorming hebben opgeleverd.

3.2. Voor zover appellante tevens bedoelt te stellen dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren op het met betrekking tot de aanwezigheid van een bijzonder geval door het Uwv ingenomen standpunt, verwerpt de Raad ook die stelling. In de eerste plaats geldt dat het Uwv in het kader van het door hem ingestelde onderzoek bij zijn nadere standpuntbepaling informatie heeft betrokken afkomstig van de toenmalige gemachtigde van appellante. Daarnaast moet worden vastgesteld dat appellante in de loop van de procedure in beroep en hoger beroep ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen - en ook benut - om haar eigen opvatting inzake de aanwezigheid van een bijzonder geval kenbaar te maken en te onderbouwen.

3.3. Ten materiële geldt dat de Raad zich volledig kan vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank als hiervoor onder 1.4 weergegeven. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt, als hiervoor overwogen, slechts een herhaling van haar eerdere gronden en biedt de Raad geen aanknopingspunten voor andersluidende beschouwingen. De Raad merkt nog slechts op dat ter zitting door de gemachtigde van appellante desgevraagd is aangegeven dat appellante haar aanvraag om een Wajong-uitkering heeft ingediend nadat haar broer, bij wie dezelfde visusproblematiek speelt, voor zodanige uitkering in aanmerking was gebracht. Appellante besefte op dat moment voor het eerst dat ook zij mogelijk voor een Wajong-uitkering in aanmerking zou kunnen komen. Deze gang van zaken onderstreept, naar het de Raad wil voorkomen, dat met name onbekendheid met de wet, althans onbekendheid met de mogelijkheid een Wajong-uitkering te verkrijgen, in het geval van appellante in de weg heeft gestaan aan het doen van een tijdige(r) aanvraag. Naar vaste rechtspraak levert een dergelijke onbekendheid met de wettelijke mogelijkheden, naar ook door de rechtbank is overwogen, geen bijzonder geval op.

4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

EK