Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8900

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
09-1680 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Door niet tijdig maatregelen te treffen bij de eerste signalen dat de postbezorging naar zijn oude adres in Egypte niet juist verliep, heeft appellant het risico aanvaard dat niet alle van het Uwv afkomstige post hem zou bereiken. Dit risico dient onder de gegeven omstandigheden voor rekening van appellant te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1680 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Egypte (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2009, 08/3046 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld tijdens de zitting van 22 oktober 2009, waar partijen – het Uwv met kennisgeving – niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 10 februari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Bij besluit van 19 mei 2008 heeft het Uwv met ingang van 1 juni 2008 de betaling van de uitkering geschorst op de grond, dat appellant niet aan de verplichting heeft voldaan informatie te verstrekken welke van belang is om het recht op een WAO-uitkering te kunnen vaststellen.

1.3. Bij besluit van 9 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 mei 2008 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend.

2. Bij uitspraak van 12 februari 2009 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder:

“Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Deze bekendmaking geschiedt, zoals blijkt uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb door toezending of uitreiking van het besluit aan de belanghebbenden, onder wie begrepen de aanvrager.

In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn is ontvangen.

In artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is voorts bepaald dat bij verzending per post het bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd mits niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

Niet in geschil is, zodat de rechtbank daarvan ook uitgaat, dat het besluit van 19 mei 2008 is gezonden naar het laatstelijk door eiser aan verweerder opgegeven adres in Egypte. De rechtbank is van oordeel dat het besluit daarmee op de juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt. Aangezien het besluit op 19 mei 2008 is verzonden, is de bezwaartermijn aangevangen op 20 mei 2008 en geëindigd op 30 juni 2008. Het bezwaarschrift is niet tijdig ingediend nu het, zoals blijkt uit het poststempel, op 20 juli 2008 door eiser ter post is bezorgd en op 25 juli 2008 door verweerder is ontvangen.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er aanleiding is om op grond van artikel 6:11 van de Awb een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken blijkt dat eiser op het van verweerder afkomstige formulier ‘Actuele gegevens arbeidsongeschiktheidsverzekering’ en in zijn brief van 5 juni 2008 heeft aangegeven dat het eerder door hem opgegeven adres niet juist is en dat dit adres (enigszins) moet worden gewijzigd. Daarnaast heeft hij in de brief van 5 juni 2008 aangegeven dat hij zijn post voortaan wenst te ontvangen op het adres van zijn contactpersoon in Nederland. Blijkens de aan eiser geretourneerde ontvangstbrief, is verweerder op 13 juni 2008 van deze adreswijziging en het postadres op de hoogte gekomen. Hiermee staat dus vast dat eiser zijn adreswijziging en postadres aan verweerder heeft doorgegeven, nadat verweerder het primaire besluit van 19 mei 2008 heeft verzonden. Vanaf 13 juni 2008 heeft verweerder de post van eiser naar zijn postadres in Nederland verzonden. De rechtbank is echter van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet van verweerder verwacht mag worden uit eigen beweging ook de vóór 13 juni 2008 verzonden post nogmaals naar eisers nieuwe adres te zenden. Eiser had ook zelf kunnen begrijpen dat verweerder tot 13 juni 2008 van het door hem opgegeven adres gebruik heeft gemaakt. Om er zeker van te zijn dat hij geen belangrijke besluiten van vóór die datum heeft gemist – die signalen waren er wel nu eisers WAO-uitkering niet meer werd uitbetaald in juni 2008 – had eiser tot het einde van de bezwaartermijn (30 juni 2008) bij verweerder hierover navraag kunnen doen om hiertegen, zo nodig, tijdig bezwaar te kunnen maken. Door niet tijdig maatregelen te treffen bij de eerste signalen dat de postbezorging naar zijn oude adres in Egypte niet juist verliep, heeft eiser het risico aanvaard dat niet alle van verweerder afkomstige post hem zou bereiken. Dit risico dient onder de gegeven omstandigheden voor rekening van eiser te blijven.

De rechtbank ziet daarom aanleiding het beroep ongegrond te verklaren. Bij deze beslissing ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. Hetgeen door appellant in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het in de uitspraak van de rechtbank neergelegde oordeel.

4.3. De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) W. Altenaar.

mm

III. DECISION

The Central Appeals Court;

Giving judgement:

Confirms the contested decision.

This decision was taken by H.J. de Mooij, in the presence of W. Altenaar, Court Clerk. The decision was delivered in public on the 7th of January 2010.