Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08-6453 WAZ
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat bij hem in het tijdvak vanaf 2002 tot 1 augustus 2004 relevante beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid zijn ontstaan die vervolgens ten minste 52 weken onafgebroken zijn blijven voortbestaan. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsartsen. De Raad heeft, mede gelet op alle van de behandelend sector - de huisarts, de internist en de Riagg - afkomstige informatie, geen aanknopingspunten om de hiervoor weergegeven zienswijze van de verzekeringsartsen niet juist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6453 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2008, 08/1336 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is werkzaam geweest al zelfstandig verhuurder van campers. In februari 2007 heeft hij het Uwv verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), in verband met een sedert 2002 wegens klachten van vermoeidheid en verwardheid bestaande arbeidsongeschiktheid.

2. Bij besluit van 10 december 2007 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, op de grond dat appellant vanaf 2002 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar van appellant is ongegrond verklaard bij besluit van 13 maart 2008, hierna: het bestreden besluit.

3.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.2. Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat uit de met ingang van 1 augustus 2004 in werking getreden Wet einde toegang verzekering WAZ en de daarmee gepaard gaande wijziging van artikel 3 van de WAZ volgt - voor zover van belang - dat de WAZ van toepassing is en blijft op personen die tot de kring van verzekerden van de WAZ behoren voor de datum van 1 augustus 2004 en van wie voor deze datum de wachttijd als bedoeld in artikel 7 van de WAZ is aangevangen.

3.3. Voorts heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant niet op enig moment in de periode vanaf 2002 tot 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt is geworden in de zin van de WAZ en aansluitend daaraan 52 weken arbeidsongeschikt is gebleven, welke arbeidsongeschiktheid na afloop van dat tijdvak nog voortduurt. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig bestempeld en heeft, ook in hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, geen reden gezien om de conclusies waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen niet juist te achten.

4. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt een herhaling van de in eerdere fasen van de procedure aangevoerde gronden. Appellant wijst erop dat hij aan suikerziekte lijdt en dat zijn suikergehalte nog altijd onregelmatig is. Daarnaast heeft hij last van benauwdheid en pijn op de borst. Hiermee is volgens appellant onvoldoende rekening gehouden. Voorts heeft hij sedert 2002, maar met name vanaf 2006, te kampen met psychische klachten. Appellant meent dat het door de verzekeringsartsen ingestelde onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Ten onrechte is naar de mening van appellant afgegaan op door zijn huidige huisarts omtrent zijn psychische klachten verstrekte informatie, daar die huisarts hem helemaal niet kent. Het Uwv had volgens appellant bij zijn behandelaars informatie moeten inwinnen omtrent de door hem in 2006 bij de Riagg ondergane behandeling.

5.1. De Raad overweegt in de eerste plaats als volgt. Aan de weigering appellant in aanmerking te brengen voor de hem verzochte WAZ-uitkering heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat vanaf 2002 geen periode valt aan te wijzen waarin appellant onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Gelet op de onderliggende rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts moet deze afwijzingsgrond aldus worden begrepen dat bij appellant vanaf 2002 geen sprake is van een afwijking in zijn lichamelijke en/of psychische gezondheidssituatie die geleid heeft tot het ontstaan, en vervolgens gedurende een periode van ten minste onafgebroken 52 weken voortduren, van relevante arbeidsbeperkingen.

5.2. Voorts overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld dat, gelet op de met ingang van 1 augustus 2004 in werking getreden Wet einde toegang verzekering WAZ, appellant slechts in aanmerking kan komen voor een WAZ-uitkering indien sprake is van een voor de datum 1 augustus 2004 aangevangen arbeidsongeschiktheid, welke daarna onafgebroken 52 weken heeft voortgeduurd en na afloop van die periode nog bestaat.

5.3. Met betrekking tot de vraag of de aldus op te vatten weigeringsgrond juist kan worden geacht, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant, in het licht van het geheel van de omtrent hem voorhanden medische gegevens, niet erin geslaagd is aannemelijk te maken dat bij hem in het tijdvak vanaf 2002 tot 1 augustus 2004 relevante beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid zijn ontstaan die vervolgens ten minste 52 weken onafgebroken zijn blijven voortbestaan.

5.4. De Raad overweegt in dit verband dat hij geen aanknopingspunten heeft om het door de verzekeringsartsen ingestelde onderzoek niet als voldoende diepgaand of anderszins als onvoldoende zorgvuldig aan te merken. Op grond van hun onderzoek hebben die artsen geconcludeerd dat er weliswaar kortere perioden (kunnen) zijn geweest waarin de belastbaarheid van appellant verminderd is geweest, maar dat in de ter beoordeling voorliggende periode geen van de door appellant aangegeven gezondheidsklachten heeft geleid tot beperkingen die 52 weken of langer zijn blijven bestaan.

5.5. Wat betreft de psychische klachten van appellant is hierbij in aanmerking genomen dat volgens de huisarts van appellant er in 2001 een kortdurende periode is geweest waarin hij een depressie heeft doorgemaakt. Daarna zijn er (pas weer) gegevens uit 2006, toen appellant, wederom in verband met een kortdurende psychische decompensatie, door de Riagg is behandeld. Wat de suikerziekte betreft, geldt dat deze volgens de verzekeringsartsen slechts milde complicaties geeft. Zij hebben geen reden gezien om te veronderstellen dat appellant in 2002 en de daarop volgende jaren ernstige beperkingen heeft ondervonden als gevolg van zijn suikerziekte. De opvatting dat appellants klachten van pijn op de borst en van benauwdheid ten tijde hier van belang ook al speelden, wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts niet ondersteund door de informatie van de behandelend internist.

5.6. De Raad heeft, mede gelet op alle van de behandelend sector - de huisarts, de internist en de Riagg - afkomstige informatie, geen aanknopingspunten om de hiervoor weergegeven zienswijze van de verzekeringsartsen niet juist te achten. De Raad overweegt hierbij dat de door appellant benadrukte omstandigheid dat zijn huisarts hem niet kent, geen grond vormt om te twijfelen aan de door die arts omtrent hem verstrekte informatie, nu die informatie afkomstig is uit het onder de huisarts berustende medische dossier van appellant. Daarenboven was die informatie, naar de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven, in lijn met hetgeen appellant zelf bij de verzekeringsarts over zijn psychische klachten naar voren heeft gebracht. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat appellant ook in hoger beroep zijn eigen opvatting niet aan de hand van nadere medische gegevens heeft onderbouwd. Ten slotte wijst de Raad er nog op dat, in het licht van het overwogene onder 5.2, de door hem in het beroepschrift gestelde toename van psychische klachten in 2006 niet kan leiden tot aantasting van het bestreden besluit nu die toename, wat daar verder van zij, buiten het ter beoordeling liggende tijdvak van 2002 tot 1 augustus 2004 is gelegen.

5.7. Uit het overwogene onder 5.1 tot en met 5.6 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

EK