Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08-3965 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Volgens vaste jurisprudentie volgt de Raad in dat geval de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat, nu deze conclusies inhouden dat ingestemd kan worden met de vastgestelde belastbaarheid, er voldoende grond is om aan te nemen dat het Uwv bij het bestreden besluit de belastbaarheid van appellant juist heeft vastgesteld. Voldoende toegelicht dat de belasting in de geduide functies appellants mogelijkheden niet te boven ging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3965 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 juni 2008, 08/121

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Bouts heeft nadere stukken toegezonden. Daarop zijn van de zijde van het Uwv reacties toegezonden.

Op verzoek van de Raad heeft M.J. van Weers, psychiater, appellant onderzocht en op

14 september 2009 verslag gedaan van zijn bevindingen en conclusies.

Beide partijen hebben een reactie gegeven op het rapport van Van Weers.

Bij brief van 12 november 2009 heeft mr. Bouts nog een vraag van de Raad beantwoord en enkele stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. van Haaften.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het Uwv op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vastgesteld dat er voor appellant met ingang van

24 januari 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van deze wet. In de daarbij gegeven toelichting is vermeld dat uit medisch en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 7 juli 2006 het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 september 2007, 06/1788, het beroep dat appellant tegen dit besluit heeft ingesteld gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en onder meer het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

1.3. Het Uwv heeft vervolgens na onderzoek door bezwaarverzekeringarts K. Corten en bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets de eerder vastgestelde belastbaarheid van appellant, als neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), op enkele onderdelen aangepast. Habets, die daartoe overleg heeft gepleegd met Corten, heeft

vastgesteld dat de belasting in de functies van melkgift-monsternemer

(Sbc-code 111041), chauffeur bijzonder vervoer (Sbc-code 282101) en magazijn/expeditiemedewerker (Sbc-code 111220), die eerder ten grondslag waren gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid, nog binnen de nieuw vastgestelde belastbaarheid blijft, ook als wordt gekeken naar de totale belasting in die functies. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 11 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard.

3.1. Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. Hij heeft daartegen aangevoerd dat de ernst en omvang van zijn psychische klachten, zoals deze op of rondom 24 januari 2006 aanwezig waren, zijn onderschat. Hij heeft erop gewezen dat deze klachten toen al tot een fors verminderde draagkracht en grote emotionele labiliteit leidden, waardoor hij de door het Uwv in aanmerking genomen functies niet had kunnen uitoefenen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verklaringen ingezonden van zijn behandelend psychiater J.P.J. Leunissen. Wat betreft het door Van Weers verrichte onderzoek betwijfelt appellant of dit voldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe heeft appellant erop gewezen dat Van Weers hem niet correct heeft bejegend en dat het rapport geen goede weergave bevat van hetgeen hij aan Van Weers heeft verteld en ook diverse feitelijke onjuistheden bevat. Dit doet volgens hem afbreuk aan de bruikbaarheid van het rapport.

3.2. Het Uwv is van opvatting dat ten aanzien van appellant de juiste beperkingen zijn vastgesteld. Daartoe heeft het Uwv erop gewezen dat de bevindingen en conclusies van Van Weers in overeenstemming zijn met de medische rapporten van Corten en met de door haar aangepaste FML, zoals deze ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Het Uwv heeft voorts bevestigd dat appellant in de loop van het eerste halfjaar van 2006 recht heeft gekregen op een uitkering ingevolge de Ziektewet en daarna ingevolge de Wet WIA omdat na 24 januari 2006 een verergering van de klachten is opgetreden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat het onderzoek door Van Weers op voldoende zorgvuldige wijze is verricht. Daartoe overweegt de Raad dat Van Weers uitvoerig heeft gerapporteerd over zijn onderzoek. Zo heeft hij een samenvatting gegeven van de inhoud van medische informatie die tot zijn beschikking stond, waaronder ook de visie van Leunissen, en heeft hij een beschrijving gegeven van de lichamelijke en psychiatrische gezondheidstoestand van appellant, van de afgenomen speciale anamnese, van de dagbesteding van appellant, van zijn bevindingen van zijn psychiatrisch onderzoek en van zijn differentiaal diagnostische beschouwingen. Van een zodanige miscommunicatie tussen Van Weers en appellant dat deze van invloed is geweest op de door Van Weers getrokken conclusies is de Raad, ook gelet op de reactie van de zijde van appellant, niet gebleken. De conclusies van Van Weers kunnen daarom een deugdelijke grondslag vormen voor de oordeelsvorming van de Raad.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie volgt de Raad in dat geval de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat, nu deze conclusies inhouden dat ingestemd kan worden met de door bezwaarverzekeringsarts Corten vastgestelde belastbaarheid voor arbeid op de datum van 24 januari 2006, er voldoende grond is om aan te nemen dat het Uwv bij het bestreden besluit de belastbaarheid van appellant juist heeft vastgesteld. Daar komt bij dat behandelend psychiater Leunissen in zijn reactie van 6 oktober 2009 heeft vermeld dat de visie van Van Weers met betrekking tot de psychiatrische aandoening waaraan appellant lijdt nagenoeg overeenkomt met die van hemzelf. Voorts ziet de Raad in de omstandigheid dat het Uwv enkele maanden na de datum in geding aan appellant uitkeringen ingevolge de Ziektewet en aansluitend de Wet WIA heeft toegekend onvoldoende grond om te oordelen dat appellants belastbaarheid per 24 januari 2006 onjuist zou zijn vastgesteld. Hetgeen appellant daarover heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen leiden dat het Uwv de beperkingen van appellant op de in geding zijnde datum onjuist heeft vastgesteld.

4.3. Ervan uitgaande dat de gehanteerde FML een juiste weergave bevat van de arbeidsmogelijkheden en -beperkingen van appellant op de in geding zijnde datum, acht de Raad in de arbeidskundige rapporten voldoende toegelicht dat de belasting in de geduide functies destijds appellants mogelijkheden niet te boven ging.

4.4. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG