Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08-3899 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen sprake van strijd met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium zoals vastgelegd in artikel 3 van het Schattingsbesluit. Het FML gaat appellants belastbaarheid niet te buiten. Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard niet te hebben gesteld dàt in de geselecteerde functies de kenmerkende belasting voor appellant te hoog is, maar (wel) dat de (bezwaar-)arbeidsdeskundige daaraan aandacht had moeten besteden en afdoende had moeten motiveren dat die belasting voor appellant niet te hoog is. Nu geen aanwijzingen voorhanden zijn dat appellant op deze punten relevante beperkingen heeft is voor een theoretische, niet op het in hoger beroep aanhangige concrete geval toegespitste discussie hier geen plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3899 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 mei 2008, 07/2942

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Mr. P.S. Fluit, advocaat te Utrecht, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009.

Voor appellant is verschenen mr. Fluit, bijgestaan door M.C.J. van Rijn, GZ-psycholoog. Voor het Uwv is verschenen J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is in augustus 1997 uitgevallen voor zijn voltijdse werk sinds 11 juni 1997 als verhuizer via een uitzendbureau, nadat hij tijdens zijn werk een balk tegen zijn hoofd had gekregen met als gevolg een hersenschudding en vervolgens klachten over duizeligheid, hoofdpijn en vermoeidheid. Op medische gronden is aan hem per 21 augustus 1998 een volledige WAO-uitkering toegekend

2. Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 maart 2007 waarbij per 7 mei 2007 de tot dan volledige WAO-uitkering is ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 2 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

3.2. In de beschikbare medische gegevens bestaat onvoldoende aanleiding om de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts en dat van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. De eerste arts heeft appellant onderzocht en de door appellant vermelde klachten en behandelingen in de beoordeling betrokken. De tweede arts heeft het medische oordeel van de eerste arts uitvoerig heroverwogen en daarbij betrokken de voorhanden informatie van de behandelende sector alsook de door hem gevraagde expertises van neuroloog dr. E.M.H. van den Doel en psychiater G.T. Gerssen. In verband met die expertises heeft de bezwaarverzekeringsarts ervan kunnen afzien appellant zelf te onderzoeken. De beide Uwv-artsen zijn gedegen tewerk gegaan. Niet is gebleken van onzorgvuldig onderzoek en evenmin van onvoldoende rekening houden met de beperkingen van appellant. Met de FML (zonder urenbeperking) van 16 oktober 2006 is de belastbaarheid van appellant niet overschat. De van 5 april 2004 daterende FML, welke onder meer inhoudt dat appellant gemiddeld niet meer dan ongeveer 4 uur per dag en gemiddeld ongeveer 20 uur per week kan werken, is per de datum thans in geding terecht niet van toepassing geacht.

Wat de door appellant ingebrachte bevindingen van GZ-psycholoog M.C.J. van Rijn betreft zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door psychiater Gerssen

- na een inhoudelijke beoordeling van appellants psychische gesteldheid - getrokken conclusie dat er op zijn vakgebied geen beperkingen ten aanzien van arbeid zijn, onjuist is of onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Er is geen strijd met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat is vastgelegd in artikel 3 van het Schattingsbesluit, aangezien appellants klachten niet objectiveerbaar zijn en niet is gebleken dat bij de onderzoekers de overtuiging bestaat dat sprake is van lijdensdruk en realiteit van de ervaren klachten.

Uitvoerig en toereikend is gemotiveerd dat de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies appellants belastbaarheid niet - ook niet wat de kenmerkende belasting op een aantal punten betreft - overschrijden.

4. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij in fysiek en psychisch opzicht aanmerkelijk meer is beperkt dan in de op 16 oktober 2006 opgestelde FML is neergelegd. Dat blijkt, aldus appellant, uit de tot en met de beroepsfase beschikbare, op de datum in geding (7 mei 2007) betrekking hebbende medische stukken alsook de ter nadere onderbouwing van die stelling in hoger beroep nog overgelegde verklaringen en rapporten, te weten: de verklaringen van zijn huisarts, de verklaring van de MDL-arts

dr. R. Breumelhof, het nadere rapport van de GZ-psycholoog Van Rijn, het rapport van de NIP-psycholoog E.A. Kusters (in het kader van de door appellant aangevraagde WWB-uitkering) en de lijst van de apotheek met de van 3 juli 2003 tot en met 27 juni 2008 aan hem voorgeschreven en verstrekte alsook door hem gebruikte medicijnen.

Voorts heeft appellant gesteld dat er functies zijn geduid die voor hem niet geschikt zijn, omdat het feit van het ontbreken van een signalering niet betekent dat de belasting in de betreffende functie en dus de normaalwaarde niet worden overschreden.

5. In verweer heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd. Daarbij heeft het gewezen op het volgende.

De slokdarm-, maag- en (andere) voedselpassageklachten zijn eerst in hoger beroep naar voren gebracht en niet van grote invloed geweest op de arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van het verhandelde ter hoorzitting op 7 juni 2007 uit zorgvuldigheid bij GZ-psycholoog Van Rijn gegevens opgevraagd, maar Van Rijn heeft daarin aanleiding gevonden om appellant uitgebreid te onderzoeken en van zijn bevindingen op 12 juli 2007 verslag te doen. Daarbij gaat het niet om een rapport van een onafhankelijke deskundige, maar meer om een onderzoeksverslag van een behandelaar. De bezwaarverzekeringsarts is vanwege de discrepantie tussen zijn eigen indrukken en die van de primaire verzekeringsarts enerzijds en de bevindingen van Van Rijn (ernstige psychische problematiek en disfunctioneren) anderzijds overgegaan tot inschakeling van psychiater Gerssen aan wiens onderzoeksbevindingen het Uwv overwegende betekenis toekent.

Appellants grieven met betrekking tot de arbeidskundige grondslag zijn in het hoger beroepschrift in algemene bewoordingen gesteld; niet duidelijk wordt welke van de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet geschikt zouden zijn en evenmin duidelijk wordt op grond van welke overschrijdingen van appellants belastbaarheid dat het geval zou zijn. Het Uwv voelt zich daarin gesteund door de op het aspect “kenmerkende belasting” betrekking hebbende en ter zitting van de rechtbank uitgebreid aan de orde geweest zijnde uitspraak van de Raad van 1 februari 2008, LJN BC3237.

In reactie op de door appellant in hoger beroep nog overgelegde medische gegevens alsook de nadere rapporten van GZ-psycholoog Van Rijn van 24 november 2008 en het rapport van NIP-psycholoog Kusters, heeft het Uwv twee rapporten van de bezwaarverzekeringsarts - van 24 oktober 2008 en van 27 februari 2009 - ingebracht en is het Uwv bij zijn standpunt gebleven.

6.1. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen. Daarbij tekent de Raad nog het volgende aan.

6.2. Wat de medische kant van de zaak betreft heeft het Uwv zorgvuldig gehandeld door (nadat appellant ter hoorzitting op 7 juni 2007 had verklaard nog onder behandeling te staan van Van Rijn, maar niet te kunnen aangeven hoe vaak hij bij Van Rijn komt) bij Van Rijn de bij hem beschikbare gegevens over appellant op te vragen. Van Rijn heeft in zijn rapport van 12 juli 2007 vermeld dat appellant hem in 2003 en 2004 heeft geconsulteerd, maar dat die consulten niet hebben geleid tot actieve voortzetting van de behandeling in 2005 en verder. Van Rijn heeft in reactie op het verzoek vanwege het Uwv niet volstaan met het verstrekken van de bij hem tot dan beschikbare gegevens, maar is eigener beweging overgegaan tot uitgebreid psychologisch onderzoek van appellant om een vergelijking te kunnen maken tussen het functioneren van appellant toen en op dat moment.

6.3. Wat van die gang van zaken ook zij, de door de bezwaarverzekeringsarts als

partij-deskundige ingeschakelde psychiater Gerssen heeft op 19 september 2007 gerapporteerd dat, omdat appellant onvoldoende heeft meegewerkt tijdens het psychiatrische onderzoek, geen uitspraak kan worden gedaan over een diagnose en dat er op basis van de op dat moment ter beschikking staande gegevens op psychiatrisch gebied geen verantwoord objectief wetenschappelijk vast te stellen beperkingen zijn aan te geven. Gerssen heeft gerapporteerd niet de indruk te hebben dat er sprake is van simulatie in die zin dat appellant opzettelijk klachten produceert om bij voorbeeld werken te vermijden, en dat er wellicht sprake is van aggravatie, wat evenwel niet een te classificeren ziektebeeld is. Gerssen is tot die conclusie gekomen na kennisneming van het resultaat van het onderzoek door ten eerste de eveneens door de bezwaarverzekeringsarts ingeschakelde neuroloog Van den Doel (die heeft gerapporteerd op zijn vakgebied geen afwijkingen te hebben gevonden) en ten tweede de GZ-psycholoog Van Rijn. Wat de bevindingen van Van Rijn betreft heeft Gerssen gerapporteerd dat deze zijn gebaseerd op indrukken en dat gedetailleerde informatie over scores van testonderzoek ontbreken.

6.4. De Raad ziet evenmin als de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van Gerssen als medisch-psychiatrisch specialist bij uitstek wat het vaststellen van psychische aandoeningen betreft onjuist is of onzorgvuldig tot stand is gekomen. Appellant heeft niet afdoende verklaard waarom hij bij Gerssen onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek, maar bij de door hem in beroep en in hoger beroep als partij-deskundige ingeschakelde Van Rijn wel heeft meegewerkt. De Raad acht in het spoor van Gerssen dat verschil niet afdoende verklaard met de mededeling van Van Rijn dat dat verschil het gevolg van het ziektebeeld is. Het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van Van Rijn van 24 november 2008 noch de verklaringen van Van Rijn ter zitting op 2 oktober 2009 hebben de Raad ervan kunnen overtuigen dat de conclusie van Gerssen niet juist is.

6.5. Het door appellant eveneens in hoger beroep ingebrachte rapport van NIP-psycholoog Kusters van 31 oktober 2008 overtuigt niet, omdat daaruit niet kan blijken dat het is gebaseerd op andere gegevens dan door appellant mondeling aan Kusters verstrekt en evenmin enige op basis van objectieve gegevens getrokken conclusie van Kusters bevat dat appellant op psychische gronden de komende 12 maanden in het geheel geen arbeid zal kunnen verrichten.

6.6. Voor onderzoek van appellant door een door de Raad in te schakelen psychiater ziet de Raad onvoldoende aanleiding, daar de voorhanden gedingstukken bij de Raad niet de voor inschakeling daarvan vereiste twijfel aan de voorhanden medische bevindingen oproepen.

6.7. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2 tot en met 5.6 is overwogen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium zoals vastgelegd in artikel 3 van het Schattingsbesluit en voorts dat het van 16 oktober 2006 daterende FML appellants belastbaarheid niet te buitengaat.

6.8. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft appellant evenzeer als in beroep naar voren gebracht dat elk van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies een of meer kenmerkende belastingen bevat, zodat de vraag rijst of die functies passend zijn. Weliswaar is vanwege het Uwv en ook door de rechtbank die vraag bevestigend beantwoord, maar een afzonderlijke en afdoende motivering op basis van een handmatige beoordeling dat het daarbij niet gaat om overschrijding van de in de van 16 oktober 2006 daterende FML opgenomen normaalwaarden ontbreekt (ten onrechte). In dat verband heeft appellant erop gewezen dat de uitspraak van de Raad van 1 februari 2008, LJN BC3237, waarin is aangegeven dat bij kenmerkende belasting op een bepaald punt een nadere motivering vanwege het Uwv niet nodig is als in de FML geen beperking ten aanzien van de normaalwaarde is vermeld. Dit werkt goed als het gaat om meetbare waarden, maar niet goed als het gaat om niet meetbare waarden zoals het bij uitoefening van de (als derde) passend bevonden functie van inpakker (handmatig), sbc-code 111190, kunnen onderscheiden van kleurennuances, terwijl appellant volgens de FML normaal kan zien. Hetzelfde geldt voor de (als eerste) passend bevonden functie van parkeercontroleur (342022) en de (als tweede) passend bevonden productiemedewerker textiel (272043) met deadlines/productiepieken respectievelijk handelingstempo.

De Raad volgt hierin het Uwv en de rechtbank met inbegrip van de door haar in de aangevallen uitspraak gegeven motivering. Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard niet te hebben gesteld dàt in die functies de kenmerkende belasting voor appellant te hoog is, maar (wel) dat de (bezwaar-)arbeidsdeskundige daaraan aandacht had moeten besteden en afdoende had moeten motiveren dat die belasting voor appellant niet te hoog is. Nu geen aanwijzingen voorhanden zijn dat appellant op deze punten relevante beperkingen heeft is voor een theoretische, niet op het in hoger beroep aanhangige concrete geval toegespitste discussie hier geen plaats.

7. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep en dient bijgevolg de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK