Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08-3275 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juistheid vastgestelde belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3275 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 april 2008, 07/682

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.T. Varwijk, werkzaam bij het christennetwerk/GMV te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als fulltime administratief medewerkster. Op 25 januari 2005 heeft zij zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 22 december 2006 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 23 januari 2007 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.

2. Bij het besluit van 1 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 december 2006 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante ongeschikt te achten.

4. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Naar mening van appellante is ten onrechte geen beperking aangenomen voor haar concentratieproblemen. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante - wederom - naar een brief van 8 mei 2006 van psycholoog/psychotherapeut drs. R. van Til.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts N. Visser de brief van 8 mei 2006 van psycholoog Van Til bij zijn beoordeling heeft betrokken en daarover in zijn rapport van 26 april 2007 heeft opgemerkt dat Van Til bij zijn klinische observaties geen concentratieproblemen beschrijft, en dit verder ook niet benoemt. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam gemotiveerd dat er naar zijn oordeel bij appellante geen sprake is van een concentratieprobleem, maar dat zij problemen heeft met het verwerken van informatie. Hiermee is naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening gehouden door de beperkingen die door de verzekeringsarts zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, onder andere op het aspect ‘herinneren’. Ook overigens ziet de Raad geen aanknopingspunten om de Functionele Mogelijkheden Lijst van 27 november 2006 onjuist te achten. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding.

5.3. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn voor appellante. Met het arbeidskundige rapport van 11 mei 2007 heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht dat de belasting in genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van A.E van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

JL