Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08-3056 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Appellante heeft ook in hoger beroep niet heeft kunnen onderbouwen waarom de aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts ter hoorzitting in haar geval noodzakelijk was te achten. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in zowel de primaire fase als de fase van het bezwaar voldoende uitgebreid en ook anderszins voldoende zorgvuldig is geweest. Geen verklaring gevonden voor de klachten van appellante. Door de arbeidsdeskundigen is overtuigend gemotiveerd waarom de functies geacht moeten worden binnen het bereik van appellante te liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3056 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 april 2008, 07/4107

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. Voor appellante is verschenen mr. Van Berkel, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als filiaalmedewerkster supermarkt. Na uitval in juni 1989 als gevolg van gewrichtsklachten en moeheidsklachten is zij met ingang van 7 juni 1990 in aanmerking gebracht voor onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 4 december 2006 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van

2 februari 2007 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 26 april 2007, hierna: het bestreden besluit.

3.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er in de eerste plaats geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank naar aanleiding van de grief dat ten onrechte de bezwaarverzekeringsarts niet ter hoorzitting aanwezig is geweest, overwogen dat daartoe geen (algemene) verplichting bestaat en dat er geen aanknopingspunten zijn om in dit geval de afwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts ter hoorzitting als onzorgvuldig aan te merken.

3.2. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gezien het medisch oordeel van de verzekeringsartsen, bij de totstandkoming waarvan mede is betrokken informatie van de huisarts van appellante, niet juist te achten. In het bijzonder ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de zienswijze van de verzekeringsartsen dat niet langer aanleiding bestond een urenbeperking aan te nemen, nu de urenbeperking die appellante bij de laatste herbeoordeling was toegekend verband hield met het feit dat toen sprake was van een actief ontstekingsbeeld. De gezondheidstoestand van appellante is nadien verbeterd, waarbij geldt dat op de datum in geding van een actieve ontsteking niet langer sprake bleek. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen de informatie van de huisarts en de behandelend reumatoloog van appellante. Geen van beide artsen heeft een verklaring kunnen vinden voor de klachten van appellante, terwijl appellante ook overigens geen medische stukken in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.

3.3. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de belasting van de geduide functies past binnen de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst. De bij die functies voorkomende signaleringen zijn volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd met de rapportage van de arbeidsdeskundige, de notities functiebelasting en de beide rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige. Ook de totaalbelasting van de functie machinaal metaalbewerker is volgens de rechtbank terecht haalbaar geacht voor appellante.

4.1. De in hoger beroep aangevoerde gronden zijn in essentie dezelfde als de eerder naar voren gebrachte gronden. De Raad ziet daarin geen aanknopingspunten gelegen om tot van het oordeel van de rechtbank afwijkende beoordeling te komen.

4.2. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellante ook in hoger beroep niet heeft kunnen onderbouwen waarom de aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts ter hoorzitting in haar geval noodzakelijk was te achten. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in zowel de primaire fase als de fase van het bezwaar voldoende uitgebreid en ook anderszins voldoende zorgvuldig is geweest.

4.3. Wat betreft de conclusies waartoe de verzekeringsartsen op grond van hun onderzoek zijn gekomen, acht ook de Raad met name van belang dat, naar ook door de bezwaarverzekeringsarts is aangegeven, de laatste jaren door de behandelend reumatoloog, orthopaed en chirurg geen verklaring meer is gevonden voor de klachten van appellante. Er konden geen noemenswaardige afwijkingen meer worden vastgesteld. De stelling van appellante dat zij in verband met reumatische artritis verdergaand beperkt is te achten dan door de verzekeringsartsen is aangenomen, kan in het licht hiervan niet worden gevolgd, waarbij de Raad nog aantekent dat appellante haar stellingen ook in hoger beroep niet nader aan de hand van objectief-medische gegevens heeft onderbouwd.

4.4. Ten slotte heeft de Raad in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd evenmin aanleiding gevonden over de passendheid van de bij de schatting in aanmerking genomen functies tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Ook ten aanzien van de door appellante expliciet genoemde belastingaspecten, geldt naar het oordeel van de Raad dat door de arbeidsdeskundigen overtuigend is gemotiveerd waarom de functies geacht moeten worden binnen het bereik van appellante te liggen.

4.5. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen aanknopingspunten voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

KR