Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
06-3860 WSF en 06-4128 WSF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering (terugvordering) en vordering in verband met onterecht bezit van de OV-studentenkaart. Dat appellante bevoegd was om te herzien, laat onverlet dat appellante niet bevoegd was om de eerdere toekenning aan betrokkene ongedaan te maken wat de zogenoemde Raulin-vergoeding betreft; in zoverre is het besluit op bezwaar van 11 januari 2005 onrechtmatig. Betrokkene heeft immers, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ingevolge het Gemeenschapsrecht onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit recht op het gedeelte van de volledige studiefinanciering dat is bedoeld ter dekking van de kosten van toegang tot het onderwijs. Kortheidshalve verwijst de Raad in dit verband naar zijn eerder aangehaalde uitspraak in de zaak Förster (LJN BJ1015, d.d. 29-06-2009). De Raad wijst er, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 september 2009, 04/5871 WSF, 04/6253 WSF en 04/6583 WSF, LJN BJ7966, nog wel op dat dit recht niet tevens inhoudt dat betrokkene aanspraak had op de OV-studentenkaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3860 WSF en 06/4128 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2006, 05/210 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (Duitsland) (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 8 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.A. Oostinga, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Op 12 juli 2006 heeft appellante een besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

In een aantal bij de Raad aanhangige hoger beroepszaken, waaronder de onderhavige zaak, is de vraag gerezen of betrokkenen als burger van de Europese Unie (EU) recht hebben op volledige studiefinanciering naar Nederlands recht in verband met het verbod op discriminatie naar nationaliteit dat is neergelegd in artikel 12, eerste alinea, EG.

Op 16 maart 2007 heeft de Raad in de zaak Förster, 05/6182 WSF, LJN BA1063, ter zake prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof heeft deze vragen beantwoord bij arrest van 18 november 2008, C-158/07, LJN BG7319.

Partijen hebben gebruik gemaakt van de door de Raad geboden gelegenheid op dit arrest te reageren.

De Raad heeft op 29 juni 2009 uitspraak gedaan in de zaak Förster, 05/6182 WSF, LJN BJ1015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. Namens betrokkene is verschenen mr. E.M. Pfahler, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van mr. Oostinga.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft de Duitse nationaliteit en woont sinds 2001 in Nederland. Hij heeft in oktober 2001 studiefinanciering aangevraagd voor zijn studie Kunst en Techniek aan de Saxion Hogeschool in Enschede. Bij deze aanvraag heeft hij een verklaring overgelegd, inhoudende dat hij van 1 november 2001 tot en met 31 januari 2002 voor minimaal 32 uur per week als systeembeheerder in dienst is van de [werkgeefster 1].

1.2. Appellante heeft aan betrokkene op grond van de veronderstelling dat hij aan te merken is als werknemer in de zin van artikel 39 EG (hierna ook: communautair werknemer) overeenkomstig de aanvraag studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs. Van deze beurs maakt een OV-studentenkaart deel uit.

1.3. In mei 2002 heeft betrokkene appellante meegedeeld dat hij van 13 mei 2002 tot 13 mei 2003 parttime zal werken bij [werkgeefster 2]. Vanaf november 2003 is betrokkene op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaamheden gaan verrichten bij Sam Sam’s uitgaansgelegenheid BV te Enschede. Ook daarvan heeft hij appellante aanstonds op de hoogte gebracht.

1.4. Nadat appellante bij een in 2004 uitgevoerde controle is gebleken dat betrokkene in 2003 niet minimaal 32 uren per maand heeft gewerkt, is de eerdere toekenning van studiefinanciering aan betrokkene over de desbetreffende maanden bij besluiten van 17 december 2004 door appellante herzien in die zin dat deze eerdere toekenning over deze maanden volledig ongedaan is gemaakt. Daarbij is € 7.902,92 aan uitbetaalde studiefinanciering teruggevorderd. Verder is ten laste van betrokkene een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart vastgesteld van € 1.632,-.

2. Het bezwaarschrift dat betrokkene hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 11 januari 2005 onder verwijzing naar de artikelen 48 EG, artikel 7, tweede lid, van de EG-Verordening 1612/68, de artikelen 2.2, 3.27, eerste en tweede lid, 7.1, tweede lid, onder c, en 7.4 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en het door appellante gevoerde beleid gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Aangegeven is daarbij dat appellante studerende niet-Nederlandse EU-onderdanen aanmerkt als communautair werknemer indien en zolang zij ten minste 32 uren per maand werken en dat in het onderhavige geval gebleken is dat betrokkene in maanden januari, maart, mei, augustus en oktober tot en met december van 2003 niet voldoende heeft gewerkt, zodat over die maanden geen recht op studiefinanciering bestond. Aangegeven is verder dat de toekenning over de overige maanden van 2003 zal worden hersteld. Tevens is de oorspronkelijke vordering wegens onterecht kaartbezit verlaagd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 11 januari 2005 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd omdat het aan het besluit voorafgaande onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellante is daarbij opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft haar oordeel doen steunen op – kort gezegd – de overweging dat een vermindering van het aantal feitelijk gewerkte uren niet zonder meer betekent dat betrokkene niet langer communautair werknemer – meer – was. Ook de arbeidsrechtelijke duiding van de arbeidsovereenkomst van betrokkene is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht. Het beleid dat aan de herziening ten grondslag heeft gelegen en dat er onder meer toe kan leiden dat iemand afwisselend de status van communautair werknemer krijgt, verliest en herkrijgt, is volgens de rechtbank in strijd met de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG (HvJ EG). Tot slot is overwogen dat in verband met betrokkenes aanspraak op de zogenoemde Raulin-vergoeding in ieder geval niet een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart kon worden vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

4. Appellante heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat het gevoerde beleid niet in strijd is met de jurisprudentie van het HvJ EG. Daarnaast is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vergoeding als bedoeld in de beleidsregel vergoeding les- en collegegelden aan studerenden uit de Europese Unie in Nederland is aan te merken als studiefinanciering in de zin van de Wsf 2000, zodat daarmee geen recht op een OV-studentenkaart bestaat.

5. Namens betrokkene is – voor zover van belang – in hoger beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. Daarbij is aangegeven dat betrokkene gedurende een periode van ongeveer 2 jaar maandelijks gemiddeld bijna 26 uur werkte, zodat kan worden vastgesteld dat zijn werkzaamheden een reëel en daadwerkelijk karakter hebben en hij dus moet worden beschouwd als communautair werknemer.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 7.1 van de Wsf 2000 is appellante bevoegd een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend te herzien op grond van elk van de in het tweede lid opgesomde feiten. Bij gebruikmaking van die bevoegdheid kan appellante met terugwerkende kracht de toekenning van studiefinanciering alsnog in overeenstemming met het recht brengen. Dit impliceert dat de rechter bij toetsing van een besluit op bezwaar waarbij een belastend herzieningsbesluit is gehandhaafd in beginsel allereerst dient te beoordelen of en zo ja in hoeverre de beschikking die is herzien onjuist was en of bij het herzieningsbesluit de toekenning van studiefinanciering alsnog (meer) in overeenstemming is gebracht met het recht.

6.2. In het onderhavige geding gaat appellante ervan uit dat het eerdere toekenningsbesluit onjuist was omdat betrokkene over de maanden januari, maart, mei, augustus en oktober tot en met december 2003 niet in de hoedanigheid van communautair werknemer onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit in aanmerking komt voor volledige studiefinanciering.

6.3. De vraag of een student als communautair werknemer kan worden aangemerkt, wordt door appellante in dit geval beantwoord aan de hand van de “Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap” van 4 maart 2005, die door appellante inmiddels in nog lopende zaken overeenkomstig wordt toegepast, indien die toepassing leidt tot een voor betrokkenen gunstig resultaat. De Raad heeft reeds in zijn hiervoor genoemde uitspraak in de zaak Föster overwogen dat appellante met dit beleid geen onjuiste invulling heeft gegeven van het begrip werknemer als bedoeld in artikel 39 EG. Dat toepassing van het beleid kan leiden tot de situatie dat iemand afwisselend zijn status van communautair werknemer krijgt, verliest en herkrijgt, maakt dit niet anders. Betrokkene voldoet niet aan de in dit beleid opgenomen 32-uurs-criterium. Voor afwijking van het beleid behoefde appellante naar het oordeel van de Raad in het geval van betrokkene geen aanleiding te zien. Bijzondere omstandigheden die tot zo’n afwijking nopen of aanleiding geven, acht de Raad niet aanwezig. Ook in het nationale recht ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellante het 32-uurs-criterium niet aan betrokkene mag tegenwerpen. Dit betekent dat het eerdere toekenningsbesluit over 2003 onjuist was en dat appellante bevoegd was dit te herzien. De herziening is bij het besluit van 11 januari 2005 terecht gehandhaafd voor zover het de maanden januari, maart, mei, augustus, oktober tot en met december 2003 betreft.

6.4. Als gevolg van de herziening van de besluiten tot toekenning van studiefinanciering is er tevens een vordering ontstaan in verband met onterecht bezit van de OV-studentenkaart. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000. De vordering is daarom terecht opgelegd en ook in zoverre is het bij het besluit van 11 januari 2005 gedeeltelijk gehandhaafde herzieningsbesluit juist.

7. Dat appellante bevoegd was om te herzien, laat onverlet dat appellante niet bevoegd was om de eerdere toekenning aan betrokkene ongedaan te maken wat de zogenoemde Raulin-vergoeding betreft; in zoverre is het besluit op bezwaar van 11 januari 2005 onrechtmatig. Betrokkene heeft immers, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ingevolge het Gemeenschapsrecht onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit recht op het gedeelte van de volledige studiefinanciering dat is bedoeld ter dekking van de kosten van toegang tot het onderwijs. Kortheidshalve verwijst de Raad in dit verband naar zijn eerder aangehaalde uitspraak in de zaak Förster. De Raad wijst er, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 september 2009, 04/5871 WSF, 04/6253 WSF en 04/6583 WSF, LJN BJ7966, nog wel op dat dit recht niet tevens inhoudt dat betrokkene aanspraak had op de OV-studentenkaart.

8.1. Uit hetgeen is overwogen onder 6.3 en 6.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. Nu de rechtbank het beroep, gelet op hetgeen is overwogen onder 7, terecht gegrond heeft verklaard, het besluit van 11 januari 2005 terecht heeft vernietigd en tevens terecht beslissingen heeft gegeven over proceskosten en griffierecht, is er geen aanleiding de aangevallen uitspraak geheel te vernietigen. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom met verbetering van gronden bevestigen. Appellante zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

8.2. Aan het besluit van 12 juli 2006 dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is de grond komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

9. De Raad acht termen aanwezig om appellante met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.932,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verweerschrift in hoger beroep, 1 punt voor een gevraagde reactie, 1 punt voor het bijwonen van de zitting; wegingsfactor 2).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellante een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Vernietigt het besluit van 12 juli 2006;

Veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 1.932,-, welk bedrag moet worden betaald aan betrokkene.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

TM