Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08/1513 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ten onrechte betaalde toeslag en boete. Bevoegdheidsgebrek. Verrekening. Nu appellant zelf, ondanks de uitdrukkelijke uitnodiging daartoe, heeft nagelaten de Svb tijdig een voorstel te doen ten aanzien van de terugbetaling van het verschuldigde bedrag, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de Svb gehouden was het ingehouden bedrag met terugwerkende kracht te herzien. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1513 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 januari 2008, 07/824 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft M.S.J. Hoorntje, juridisch adviseur te Waddinxveen, hoger beroep ingesteld. De gemachtigde van appellant heeft nadere stukken ingezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 december 2005 heeft de Svb appellant bericht dat de toeslag op zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van november 2003 is gewijzigd in verband met inkomsten van zijn echtgenote. In een brief van dezelfde datum heeft de Svb appellant bericht voornemens te zijn de ten onrechte betaalde toeslag van hem terug te vorderen en voorts van plan te zijn appellant een boete op te leggen. Appellant is in deze brief verzocht uiterlijk 24 januari 2006 mede te delen op welke wijze hij de vordering wenst te voldoen. Tegen het herzieningsbesluit van 14 december 2005 is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij besluit van 30 januari 2006 (het primaire besluit) heeft de Svb van appellant de in de periode van 1 november 2003 tot en met 30 november 2005 te veel betaalde toeslag ten bedrage van € 6.389,58 teruggevorderd. Voorts is beslist deze vordering met ingang van februari 2006 in maandelijkse termijnen van € 559,97 te verrekenen met appellants AOW-pensioen. Ten slotte is aan appellant bij dit besluit een boete opgelegd van € 330,--.

1.3. Appellant heeft bij brief van 22 januari 2006, door de Svb ontvangen op 31 januari 2006, bezwaar gemaakt. Daarbij is verwezen naar de brief van 14 december 2005 over de terugvordering en de oplegging van een boete. Dit bezwaar is door de Svb bij besluit van 30 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft appellants beroep tegen laatstgenoemd besluit op 17 juli 2006 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak en het besluit van 30 maart 2006 bij uitspraak van 23 maart 2007 vernietigd. Hij heeft daartoe overwogen dat de Svb op 31 januari 2006, derhalve binnen de bezwaartermijn, een brief van appellant heeft ontvangen bevattende bezwaren tegen de boete en de terugvordering, welke brief moet worden aangemerkt als een bezwaar tegen het primaire besluit.

1.4. Bij het thans bestreden besluit van 16 mei 2007 heeft de Svb het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij is erop gewezen dat de verrekening naar aanleiding van door appellant overgelegde financiële gegevens inmiddels per juni 2006 is herzien naar € 90,-- per maand.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen herhaald dat het primaire besluit en het bestreden besluit onbevoegd zijn genomen. De Raad laat in het midden wat er zij van de bevoegdheid tot het nemen van het primaire besluit, nu een eventueel gebrek daaraan in bezwaar kan worden hersteld. Hij heeft evenwel moeten vaststellen dat het bestreden besluit niet door een daartoe bevoegde medewerker is genomen. Ter zitting is dit door de gemachtigde van de Svb erkend. Het bestreden besluit moet derhalve worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit ten onrechte in stand is gelaten. Nu de gemachtigde van de Svb, die wel bevoegd is namens de Svb een besluit op bezwaar te nemen, ter zitting van de Raad heeft verklaard het bestreden besluit voor zijn rekening te nemen, ziet de Raad aanleiding te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3.2. Nu de aangevallen uitspraak reeds op de in 3.1 genoemde grond niet in stand kan blijven, kunnen de overige gronden van appellants gemachtigde over gebreken in de totstandkoming daarvan buiten beschouwing worden gelaten.

3.3. De Raad deelt niet de mening van appellants gemachtigde dat het primaire besluit door de Svb had moeten worden herroepen. De Svb heeft in het bestreden besluit zijn beslissing naar aanleiding van de in bezwaar naar voren gebrachte gronden nader gemotiveerd en het primaire besluit ongewijzigd gehandhaafd. Er was derhalve geen aanleiding dat besluit te herroepen.

3.4. Ten aanzien van de terugvordering is in hoger beroep gesteld dat daaraan een wettelijke basis ontbreekt. De Raad kan de gemachtigde van appellant daarin niet volgen. De grond voor de terugvordering ligt in artikel 24 van de AOW, welk artikel in het primaire besluit is genoemd. Nu geen rechtsmiddel is aangewend tegen het herzieningsbesluit van 14 december 2005, staat vast dat appellant te veel toeslag op zijn AOW-pensioen heeft ontvangen. De Svb was op grond van artikel 24 van de AOW verplicht het te veel betaalde terug te vorderen. Een dringende reden om van die terugvordering af te zien is in hoger beroep niet gesteld.

3.5. Met betrekking tot de verrekening van het teruggevorderde bedrag met zijn AOW-pensioen heeft appellant in hoger beroep (wederom) naar voren gebracht dat tijdig is gewezen op appellants financiële omstandigheden en dat het te verrekenen bedrag per februari 2006 ten onrechte is gehandhaafd op € 559,97 per maand en niet is gesteld op het nadien gerechtvaardigd geachte bedrag van € 90,-- per maand. De Raad kan de gemachtigde van appellant ook hierin niet volgen.

3.6. De Raad stelt vast dat de Svb bij zijn brief van 14 december 2005 de terugvordering heeft aangekondigd en appellant in de gelegenheid heeft gesteld voor 24 januari 2006 een voorstel te doen omtrent de wijze van terugbetalen. Namens appellant is op 20 december 2005 en op 18 januari 2006 telefonisch contact opgenomen met de Svb. Uit de telefoonrapporten van deze gesprekken blijkt dat daarbij slechts is gesproken over de wijze waarop de toeslag werd berekend en de totstandkoming van de terugvordering. In het gesprek van 18 januari 2006 zijn gegevens daaromtrent opgevraagd, welke op 25 januari 2006 aan appellant zijn toegezonden. Voor de in de brief van 14 december 2005 genoemde datum 24 januari 2006 is door of namens appellant geen voorstel omtrent de terugbetaling gedaan.

3.7. Eerst op 25 april 2006 is namens appellant aan de Svb te kennen gegeven dat de verrekening van € 559,97 zijn draagkracht te boven gaat. Dit heeft de Svb aanleiding gegeven tot een onderzoek naar appellants financiële omstandigheden, wat heeft geleid tot een bijstelling van de verrekening naar € 90,-- per maand met ingang van juni 2006. Nu appellant zelf, ondanks de uitdrukkelijke uitnodiging daartoe, heeft nagelaten de Svb tijdig een voorstel te doen ten aanzien van de terugbetaling van het verschuldigde bedrag, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de Svb gehouden was het ingehouden bedrag met terugwerkende kracht te herzien. Deze grief slaagt niet.

3.8. Met betrekking tot de boete zijn in hoger beroep geen gronden naar voren gebracht.

3.8. Het onder 3.3 tot en met 3.7 overwogene geeft de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

4. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een totaalbedrag van € 644,--;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

DW