Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
09-556WIA+09-557ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: De Raad stelt vast dat de arbeidskundige grondslag van de schatting berust op de functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) en productiemedewerker confectie (sbc-code 272042). De Raad is, evenals de rechtbank, er niet van overtuigd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene, zoals vastgesteld in de aangepaste FML. De Raad is van oordeel dat de functie niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Daarmee resteren er onvoldoende functies om aan de schatting ten grondslag te leggen en heeft de rechtbank het bestreden besluit 1 terecht vernietigd. Besluit 2: Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van bestreden besluit 1 is overwogen is de Raad van oordeel dat aan bestreden besluit 2 eveneens de grondslag is komen te ontvallen. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 dan ook terecht vernietigd. De aangevallen uitspraak 2 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/556 WIA + 09/557 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 19 december 2008, 07/1746 (aangevallen uitspraak 1) en 08/351 (aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.F. Westerman van 17 februari 2009 overgelegd .

Namens betrokkene heeft mr. W.F.C. van Megen, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 mei 2009 heeft appellant een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Westereman, mede ondertekend door een bezwaarverzekeringsarts, van 14 mei 2009 overgelegd. Namens betrokkene is hierop bij brief van 25 september 2009 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.O. Diepenbroek. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

09/556 WIA

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak 1. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 19 april 2007 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat hij per einde wachttijd, 26 april 2007, geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Betrokkene wordt in staat geacht passende arbeid te verrichten op grond waarvan sprake is van een loonverlies van minder dan 35%. Bij besluit van 1 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag onderschreven. De rechtbank is evenwel tot de conclusie gekomen dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat het aaneengesloten zitten in de functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) daadwerkelijk wordt onderbroken, doordat substantieel andere activiteiten worden ondernomen waardoor recuperatie kan plaatsvinden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat appellant onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat betrokkene in voornoemde functie in voldoende mate kan vertreden, zoals vereist op grond van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aangezien er, na het vervallen van die functie, onvoldoende functies resteren, heeft de rechtbank bestreden besluit 1 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) niet aan de schatting ten grondslag mag worden gelegd omdat betrokkene in onvoldoende mate zou kunnen vertreden. Appellant stelt zich op het standpunt dat er tijdens het zitten voldoende mogelijkheden zijn om te gaan staan. Hiermee zijn er naar het oordeel van appellant voldoende vertredeningsmogelijkheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Westerman van

17 februari 2009 en 14 mei 2009 overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat de medische grondslag van bestreden besluit 1 niet in geding is.

4.3. De Raad stelt vervolgens vast dat de arbeidskundige grondslag van de schatting berust op de functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) en productiemedewerker confectie (sbc-code 272042).

4.4. De Raad is, evenals de rechtbank, er niet van overtuigd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180)in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene, zoals vastgesteld in de aangepaste FML van 11 september 2007. Betrokkene kan volgens de FML maximaal 30 minuten aaneengesloten zitten en tijdens het werk zo nodig gedurende het grootste deel van de werkdag zitten (ongeveer 6-8 uur). Gezien het Resultaat Functiebeoordeling is de belasting in de functie van productiemedewerker industrie ten aanzien van zitten omschreven als: tijdens 6 werkuren 1 maal ongeveer 60 minuten achtereen (op verhoogde stoel met voetring, kan/mag ook staand werkzaamheden verrichten). Naar het oordeel van de Raad bevat de in hoger beroep gegeven toelichting op het item zitten, die door de bezwaararbeidsdeskundige is gegeven in de rapportages van 17 februari 2009 en 14 mei 2009, een ontoelaatbare relativering van de belastbaarheid. De belasting in de functie (ongeveer 60 minuten achtereen) bedraagt het dubbele van de maximale toegestane belastbaarheid van betrokkene (30 minuten achtereen). De Raad ziet niet in hoe dit gecompenseerd kan worden met staan, waardoor in de functie volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoende afwisseling zou zijn van statische belasting met dynamische belasting.

4.5. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat in de functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) de belastbaarheid van betrokkene niet op ontoelaatbare wijze wordt overschreden. De Raad is van oordeel dat de functie niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Daarmee resteren er onvoldoende functies om aan de schatting ten grondslag te leggen en heeft de rechtbank het bestreden besluit 1 terecht vernietigd.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd.

09/557 ZW

5. 1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak 2. De Raad volstaat met het volgende.

5.2. Betrokkene heeft zich op 26 oktober 2007 wegens toegenomen klachten ziek gemeld vanuit een situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving. Bij besluit van 10 december 2007 heeft appellant geweigerd aan betrokkene per datum ziekmelding een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Bij besluit van 30 januari 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

7.1. De Raad overweegt als volgt.

7.2. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van bestreden besluit 1 is overwogen is de Raad van oordeel dat aan bestreden besluit 2 eveneens de grondslag is komen te ontvallen. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 dan ook terecht vernietigd. De aangevallen uitspraak 2 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

8. De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokken in hoger beroep. De te vergoeden kosten worden vastgesteld op € 322,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--;

Bepaalt dat van appellant een recht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

get.) F. Heringa.

IvR