Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
08-6070 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts Blijham en de bezwaarverzekeringsarts Mirza in hun rapportages overtuigend aangegeven dat er geen medisch objectiveerbare afwijkingen aantoonbaar zijn op basis waarvan volledige arbeidsongeschiktheid voor de maatstaf arbeid van appellant te rechtvaardigen is in verband met zijn lichamelijke of psychische klachten op de datum in geding. Op de door appellant in beroep overgelegde verklaring van zijn neuroloog dr. R.W.M. Keunen heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd in haar rapportage van 15 juli 2008 en daarin aangegeven dat er blijkens de informatie van de neuroloog geen sprake is van een HNP of wortelcompressie en dat er geen ernstige afwijkingen zijn vastgesteld. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar eerdere rapportage van 16 november 2007, in reactie op de verkregen informatie van de huisarts van appellant, aangegeven dat appellant op de datum in geding geen medicatie gebruikte waardoor zijn reactievermogen werd verminderd. Wat betreft de door appellant genoemde psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat deze klachten voor de huisarts geen aanleiding zijn geweest om appellant te verwijzen voor een psychiatrische beoordeling, terwijl het gebruik van antidepressiva zelfs is afgebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6070 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 september 2008, 07/8281 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Wit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 18 september 2006, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld voor zijn werk als chauffeur wegens toegenomen rugklachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Nadat appellant op 2 mei 2007 en 2 juli 2007 door de verzekeringsarts G. Blijham is gezien op het spreekuur, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 2 juli 2007 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 9 juli 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 26 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van

25 september 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. In dat verband heeft de rechtbank gesteld dat de klachten van appellant niet door objectieve gegevens zijn onderbouwd en dat niet is komen vast te staan dat hij op de datum in geding medicatie gebruikte, die zijn reactievermogen verminderde. Mitsdien heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellant met ingang van 9 juli 2007 in staat moest worden geacht de eigen arbeid te verrichten, zodat hij met ingang van die datum terecht niet langer in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de ZW.

3. In hoger beroep is namens appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat hij vanwege zijn klachten en voorgeschreven medicijnen ook op en na 9 juli 2007 niet in staat was de eigen arbeid te verrichten. In dat verband heeft hij verwezen naar de door hem in beroep overgelegde verklaring van de neuroloog en zich op het standpunt gesteld dat de ernst van zijn klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen onvoldoende zijn onderkend. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij, behalve lichamelijke klachten, ook psychische klachten heeft, waarmee geen, althans te weinig rekening is gehouden.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Appellant heeft zich op 18 september 2006 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW, welke uitkering hij ontleende aan de door hem laatstelijk verrichte werkzaamheden als chauffeur. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv terecht deze werkzaamheden als maatstaf arbeid heeft aangemerkt.

4.2. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering per 9 juli 2007 ziet de Raad in de beschikbare medische informatie omtrent appellant onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts Blijham en de bezwaarverzekeringsarts Mirza in hun rapportages overtuigend aangegeven dat er geen medisch objectiveerbare afwijkingen aantoonbaar zijn op basis waarvan volledige arbeidsongeschiktheid voor de maatstaf arbeid van appellant te rechtvaardigen is in verband met zijn lichamelijke of psychische klachten op de datum in geding. Op de door appellant in beroep overgelegde verklaring van zijn neuroloog dr. R.W.M. Keunen heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd in haar rapportage van 15 juli 2008 en daarin aangegeven dat er blijkens de informatie van de neuroloog geen sprake is van een HNP of wortelcompressie en dat er geen ernstige afwijkingen zijn vastgesteld. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar eerdere rapportage van 16 november 2007, in reactie op de verkregen informatie van de huisarts van appellant, aangegeven dat appellant op de datum in geding geen medicatie gebruikte waardoor zijn reactievermogen werd verminderd. Wat betreft de door appellant genoemde psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat deze klachten voor de huisarts geen aanleiding zijn geweest om appellant te verwijzen voor een psychiatrische beoordeling, terwijl het gebruik van antidepressiva zelfs is afgebouwd. Nu appellant zijn in hoger beroep herhaalde standpunt dat hij nog immer volledig arbeidsongeschikt is niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven of om een deskundige te benoemen voor het verrichten van medisch onderzoek. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 9 juli 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

TM