Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
08-5628 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor het oordeel, dat de benadelingshandeling hem niet dan wel verminderd verwijtbaar zou zijn. Uit de beschikbare informatie van de huisarts is niet gebleken dat appellant rond de datum van zijn ontslag zodanig ernstige psychische problemen had, dat hij daardoor niet in staat zou zijn geweest voor zijn belangen op te komen. Appellant heeft verder bevestigd dat hij na zijn ontslag een werkloosheidsuitkering heeft aangevraagd. Dat een advocaat hem zou hebben geadviseerd geen procedure tegen de werkgever te starten en appellant dit advies heeft opgevolgd dient voor zijn risico te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5628 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 augustus 2008, 07/2441

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was sinds 11 februari 2002 als dakdekker in dienst van [naam werkgever] Dakbedekkers, te [plaatsnaam]. Op 18 september 2006 heeft appellant zich ziek gemeld bij zijn werkgever. Bij brief van 25 september 2006 heeft de werkgever aan appellant meegedeeld dat het dienstverband per 25 september 2006 is beƫindigd, omdat appellant niet heeft gereageerd op een verzoek om contact op te nemen.

2. Op 29 januari 2007 is bij het Uwv een verzoek binnen gekomen om aan appellant aansluitend aan voormeld ontslag een uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen.

3. Bij besluit van 14 augustus 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv onder verwijzing naar artikel 45 van de Ziektewet de afwijzende beslissing op appellants verzoek na bezwaar gehandhaafd, omdat appellant een onnodig beroep op de Ziektewet had gedaan.

4.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat appellant door niet op te komen tegen het ontslag een benadelingshandeling heeft gepleegd als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat appellant van de benadelingshandeling geen verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft in dit verband met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die kennis hadden genomen van gegevens van de huisarts van appellant. In aanmerking nemend dat appellant wel bedrijfsspullen bij de werkgever had ingeleverd en in oktober 2006 een werkloosheidsuitkering had aangevraagd, heeft de rechtbank de conclusie van de verzekeringsartsen onderschreven dat het niet plausibel is dat appellant rond de ontslagdatum aan een dusdanig ernstig psychisch ziektebeeld leed, dat hij niet meer adequaat kon handelen. Gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit UWV heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank mitsdien terecht besloten de gehele uikering te weigeren voor de duur dat de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren.Ten slotte achtte de rechtbank niet gebleken van een dringende reden op grond waarvan het Uwv van een maatregel had behoren af te zien.

5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor het oordeel, dat de benadelingshandeling hem niet dan wel verminderd verwijtbaar zou zijn.

Uit de beschikbare informatie van de huisarts is niet gebleken dat appellant rond de datum van zijn ontslag zodanig ernstige psychische problemen had, dat hij daardoor niet in staat zou zijn geweest voor zijn belangen op te komen. Appellant heeft verder bevestigd dat hij na zijn ontslag een werkloosheidsuitkering heeft aangevraagd. Dat een advocaat hem zou hebben geadviseerd geen procedure tegen de werkgever te starten en appellant dit advies heeft opgevolgd dient voor zijn risico te blijven.

6.Uit hetgeen is overwogen onder 5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

EF