Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8719

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
08-4902 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging uitkering ingevolge de Ziektewet. De Raad ziet geen aanleiding het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Nu appellante voorts geen medische informatie heeft overgelegd, is naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk dat sprake was van zodanige buikklachten dat appellante niet in staat was daarmee haar werk te verrichten. Voorts merkt de Raad op dat in de informatie van de psychiater en de psychologe is aangegeven dat de resultaten van de behandeling positief zijn en appellante de agressie kan reguleren. Ook de stelling van appellante dat de oorzaak van de psychische klachten is gelegen in complicaties na de zwangerschap, leidt gelet op hetgeen de Raad hiervoor omtrent de buikklachten heeft overwogen niet tot een ander oordeel. De ongeschiktheid van appellante voor haar arbeid houdt geen verband met ziekte of gebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4902 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 juli 2008, 08/30 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was voorheen werkzaam als kassamedewerkster tankstation. Met ingang van 25 april 2005 heeft zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Appellante heeft zich per 13 februari 2007 ziekgemeld vanwege spannings- en zwangerschapsklachten.

1.2. Bij besluit van 10 september 2007 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per 10 september 2007 beëindigd. Het bezwaar is bij besluit van 21 december 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij als gevolg van haar psychische en zwangerschapsklachten ongeschikt is voor haar arbeid. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat appellante per 10 september 2007 niet als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is voor haar arbeid.

3.2. Op 25 november 2009 heeft de Raad van de zijde van appellante een brief ontvangen waarin een nadere uiteenzetting over de zaak wordt gegeven. In artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Appellante is hierop gewezen in de uitnodiging voor de zitting. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv verkaard dat hij niet op de hoogte is van de ontvangst van de brief. Mede gelet hierop is de Raad van oordeel dat de brief buiten beschouwing dient te blijven.

4. De Raad voorts overweegt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft de functie van kassamedewerkster tankstation als haar arbeid in de hiervoor bedoelde zin aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is de (bezwaar)verzekeringsarts daarmee van een juiste maatstaf uitgegaan.

4.3. Het Uwv heeft een omschrijving van de functie verkoopmedewerker tankstation en de daarin voorkomende belasting overgelegd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft aangegeven dat deze omschrijving overeenkomt met de laatstelijk door appellante verrichte functie. Appellante heeft in hoger beroep een nadere omschrijving van haar werkzaamheden gegeven. De Raad acht aannemelijk dat een voldoende duidelijk beeld van de functie bestaat om de geschiktheid van appellante voor haar arbeid te beoordelen.

4.4. Appellante is onderzocht door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft de informatie van de behandelend psychiater en psychologe van 7 december 2007 in de beoordeling betrokken. De psychiater heeft verklaard dat sprake is van een stoornis in de impulsbeheersing en een ouder-kindrelatieprobleem. Het lijkt erop dat de klachten voortgekomen zijn uit een onhandige coping. De psychiater heeft aangegeven dat de resultaten van de behandeling positief zijn en dat wanneer appellante rekening blijft houden met haar wijze van reageren en het geleerde blijft toepassen zij in de toekomst minder last zal hebben van woede-uitbarstingen tegen haar kinderen. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat een duidelijke psychiatrische diagnose ontbreekt en dat de stelling van appellante dat zij niet in staat is te werken niet wordt ondersteund door objectief-medische gegevens. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is de ongeschiktheid van appellante het gevolg van een onhandige manier van omgaan met stressoren, maar niet het gevolg van ziekte of gebrek. De rechtbank is in navolging van de bezwaarverzekeringsarts tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van dusdanige - medische - beperkingen dat appellante per 10 september 2007 ongeschikt zou zijn voor haar arbeid.

4.5. Appellante heeft gesteld dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte niet op haar buikklachten is ingegaan en dat zij vanwege die klachten niet in staat was te werken. Na haar zwangerschap heeft appellante vier maanden last gehad van bloedingen die gepaard gingen met flinke pijn, wat haar lichamelijk en geestelijk heeft uitgeput. Appellante heeft aangegeven dat zij extreme moeite heeft met hormonale veranderingen. De Raad constateert - afgaande op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en de medische kaart - dat de (bezwaar)verzekeringsarts weliswaar niet op buikklachten is ingegaan, maar dat deze klachten blijkens de weergave van het medische verhaal (de anamnese) en de bezwaren van appellante door haar niet zijn genoemd. Voorts wijst de Raad erop dat appellante in haar beroepschrift aan de rechtbank heeft aangegeven dat zij twee maal door een gynaecoloog is onderzocht, maar het onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd. Gelet daarop ziet de Raad geen aanleiding het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Nu appellante voorts geen medische informatie heeft overgelegd, is naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk dat sprake was van zodanige buikklachten dat appellante niet in staat was daarmee haar werk te verrichten.

4.6. Appellante heeft gesteld dat is verzuimd de psychologe te vragen naar de gezondheidstoestand op 10 september 2007. De Raad verwerpt deze stelling. De informatie van de psychiater en psychologe heeft betrekking op een behandeling die kort voor de in geding zijnde datum is gestart.

4.7. Appellante heeft voorts betoogd dat zij ongeschikt is voor haar arbeid omdat zij kan ontploffen van woede. De psychische hulp is gestopt vanwege de kosten van de eigen bijdrage van € 10,- per behandeling en omdat appellante vindt dat zij - nadat een nieuwe therapeut de behandeling had overgenomen - niet goed geholpen is. Dit betoog moet naar het oordeel van de Raad worden verworpen. Het betoog doet immers niet af aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de klachten geen gevolg zijn van ziekte of gebrek. Voorts merkt de Raad op dat in de informatie van de psychiater en de psychologe is aangegeven dat de resultaten van de behandeling positief zijn en appellante de agressie kan reguleren. Ook de stelling van appellante dat de oorzaak van de psychische klachten is gelegen in complicaties na de zwangerschap, leidt gelet op hetgeen de Raad hiervoor omtrent de buikklachten heeft overwogen niet tot een ander oordeel.

4.8. Het betoog van appellante dat het Uwv haar onvoldoende begeleiding bij haar re-integratie zou hebben geboden, verwerpt de Raad eveneens. Nog daargelaten dat het Uwv daartegen heeft ingebracht dat re-integratieactiviteiten in de ZW-periode niet aan de orde zijn, doet het betoog niet af aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de ongeschiktheid van appellante voor haar arbeid geen verband houdt met ziekte of gebrek.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

IvR