Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
08-3983ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts de huisarts om informatie van medische behandelaars heeft gevraagd, maar die niet heeft ontvangen en dat appellant niet - althans niet eerder dan december 2004 - is behandeld voor zijn psychische klachten. Geen deskundigenonderzoek. Voorts acht de Raad van belang dat appellant aanvankelijk een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft aangevraagd en eerst bij brief van 8 september 2006 een uitkering ingevolge de ZW met ingang van 1 augustus 2004 heeft aangevraagd. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat hij destijds niet in staat was de ZW-uitkering aan te vragen. Niet gebleken is dat appellant op 1 augustus 2004 zodanige psychische klachten had dat hij daartoe niet in staat moet worden geacht. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat factoren gelegen in het arbeidsconflict tot de ongeschiktheid per 14 juni 2004 hebben geleid en dat daarvan per 1 augustus 2004 geen sprake meer was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3983 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 juni 2008, 07/1042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich per 14 juni 2004 ziekgemeld vanuit zijn functie van pedagogisch medewerker bij jeugdgevangenis [naam jeugdgevangenis] in verband met spanningsklachten.

1.2. De arbeidsovereenkomst is per 1 augustus 2004 ontbonden. Bij brief van 8 september 2006 heeft appellant met ingang van 1 augustus 2004 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Bij besluit van 9 oktober 2006 is de uitkering geweigerd vanwege een benadelingshandeling.

1.3. Bij het besluit van 4 september 2007 (bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en de weigering van de ZW-uitkering per 1 augustus 2004 gehandhaafd op de grond dat appellant per die datum niet ongeschikt is voor zijn arbeid.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij op de in geding zijnde datum als gevolg van psychische klachten niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat appellant niet ongeschikt is voor zijn arbeid.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft de functie van pedagogisch medewerker die appellant voor zijn ziekmelding per 14 juni 2004 heeft verricht als “zijn arbeid” in de hiervoor bedoelde zin aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is de bezwaarverzekeringsarts van een juiste maatstaf uitgegaan.

4.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant op de datum in geding ongeschikt was voor zijn arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht en gesproken op de hoorzitting. Voorts heeft hij zich gebaseerd op informatie van de Arbo-dienst. Daarin is vermeld dat sprake is van een conflict in de werksfeer. Appellant heeft aangegeven dat sprake is geweest van bedreiging en is het niet eens met de manier waarop zijn werkgever met zijn klacht is omgegaan. De werkgever legt ten onrechte de oorzaak van het conflict bij appellant. De bedrijfsarts heeft appellant gezien op het spreekuur van 14 juni 2004 en is tot de conclusie gekomen dat er geen medische beperkingen zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts in aanmerking genomen dat appellant contact met de huisarts heeft opgenomen en dit niet heeft geleid tot verwijzing naar de GGZ voor behandeling of begeleiding van de psychische klachten.

4.4. Appellant weerspreekt de conclusie van de bedrijfsarts en stelt dat hij zodanig overspannen was dat hij niet in staat was zijn werk te verrichten. Hij heeft gesteld dat het op de weg van het Uwv lag om een deskundige onderzoek te laten verrichten. Het Uwv heeft gesteld dat geen aanleiding was voor een deskundigenonderzoek, aangezien geen sprake was van tegenstrijdige oordelen van de behandelend artsen en verzekeringsartsen.

4.5. De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts de huisarts om informatie van medische behandelaars heeft gevraagd, maar die niet heeft ontvangen en dat appellant niet - althans niet eerder dan december 2004 - is behandeld voor zijn psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat een expertise niet zinvol is omdat het een beoordeling in retrospectief betreft. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor een deskundigenonderzoek in opdracht van het Uwv geen aanleiding bestaat. Voorts acht de Raad van belang dat appellant aanvankelijk een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft aangevraagd en eerst bij brief van 8 september 2006 een uitkering ingevolge de ZW met ingang van 1 augustus 2004 heeft aangevraagd. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat hij destijds niet in staat was de ZW-uitkering aan te vragen. Niet gebleken is dat appellant op 1 augustus 2004 zodanige psychische klachten had dat hij daartoe niet in staat moet worden geacht. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig.

4.6. Appellant heeft in hoger beroep informatie - daterend van 2008 - ingebracht van de ervaringsgericht psychosociaal therapeut R. Spieker die heeft verklaard dat appellant tussen december 2004 en maart 2005 door haar is behandeld en dat sprake was van paniekgevoelens. Verder is een brief van 2 juli 2008 van manager T. van Weerden van Maatschappelijke & juridische dienstverlening Groningen overgelegd waarin is verklaard dat appellant in 2006 begeleiding heeft gehad en het emotioneel zeer moeilijk had. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat deze informatie geen medische argumenten bevat die aanleiding geven om de inschatting van de geschiktheid per 1 augustus 2004 van appellant voor zijn arbeid te wijzigen. De Raad verenigt zich met deze overweging van de bezwaarverzekeringsarts. De informatie leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

4.7. Voorts heeft appellant zich gekeerd tegen de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant niet om een second opinion van het Uwv heeft gevraagd en dat appellant na zijn ziekmelding is blijven doorwerken in de functie van surveillant bij de universiteit voor een paar uur per week. De Raad is van oordeel dat, ook indien de tegenwerpingen van appellant zouden moeten worden aanvaard, daaraan niet de gevolgtrekking moet worden verbonden dat appellant per 1 augustus 2004 als gevolg van ziekte ongeschikt was voor zijn arbeid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat factoren gelegen in het arbeidsconflict tot de ongeschiktheid per 14 juni 2004 hebben geleid en dat daarvan per 1 augustus 2004 geen sprake meer was.

4.8. Appellant heeft ter zitting aangegeven dat sprake is van knieklachten en gebruik van ontstekingsremmende medicijnen. Deze gegevens kunnen niet tot een ander oordeel leiden, nu geen medische informatie is overgelegd op grond waarvan moet worden aangenomen, dat deze klachten dan wel het gebruik van medicijnen per 1 augustus 2004 aan het verrichten van zijn arbeid in de weg stonden.

4.9. Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat de Raad opdracht dient te geven tot onderzoek door een (psychiatrisch) deskundige, overweegt de Raad dat hij daartoe geen aanleiding ziet, nu hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld en aangevoerd geen aanleiding geeft tot twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

5. Vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

IvR