Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
08-3167 WWB + 08-3168 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening en terugvordering bijstand. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante er niet in is geslaagd aan te tonen dat de tegoeden op de bankrekeningen bij de Fortisbank niet tot haar vermogen behoorden en kan zich volledig verenigen met de overwegingen waarop dat oordeel berust. Daaraan voegt hij toe dat appellante haar standpunt ook in hoger beroep met geen enkel objectief en verifieerbaar gegeven heeft ondersteund. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3167 WWB + 08/3168 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante) en [Appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2008 07/2766 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op 24 november 2009, waar partijen zoals aangekondigd niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en appellant zijn met elkaar gehuwd geweest. Vanaf 9 mei 1994 ontving appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Omdat begin 2003 was gebleken dat appellante naast de bij het College bekende Postbankrekening beschikte over een tweetal rekeningen bij de Fortisbank met [rekenningnummer 1] en [rekeningnummer 2], heeft het College haar verzocht afschriften van die rekeningen in te leveren. De verklaring van appellante dat het gaat om rekeningen van haar oom en haar neef waarvoor zij gemachtigde was, was voor het College aanleiding tevens te vragen om gegevens waaruit blijkt dat zij de rekeningen niet gebruikte, om verklaringen van de betreffende oom en neef en om bewijsstukken dat zij de tegoeden op de rekeningen aan hen heeft overgemaakt. Omdat appellante niet aan deze verzoeken voldeed, is de betaling van haar uitkering met ingang van 1 maart 2004 geblokkeerd, gevolgd door een opschorting van het recht op uitkering per dezelfde datum. Binnen de hersteltermijn heeft appellante enkele bankafschriften ingeleverd. Daaruit blijkt dat het gaat om zogeheten ‘en/of- rekeningen’ op naam van appellante en respectievelijk haar oom [naam oom] en haar neef [naam neef], en dat zij op 18 november 2003 € 21.500,00 van de rekening met nummer [rekeningnummer 2] heeft opgenomen. Op 30 maart 2004 heeft het College appellante opnieuw verzocht om bewijsstukken waaruit blijkt dat de bankrekeningen niet door haar gebruikt zijn en dat de stortingen daarop voor iemand anders zijn bestemd. Op 31 maart 2004 heeft appellante aangifte gedaan van diefstal uit haar woning van onder meer een bedrag van € 22.000,--. In april 2004 heeft zij bankafschriften en een renteoverzicht van beide rekeningen ingeleverd. Op 22 juni 2004 en 16 november 2004 is appellante gehoord.

1.3. De Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage heeft naar aanleiding van het gesprek op 16 november 2004 dossieronderzoek verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 13 januari 2005. Aan appellanten is met ingang van 1 maart 2005 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Het College heeft op 28 oktober 2005 appellante nog eenmaal gevraagd om bankafschriften van haar rekening [rekeningnummer 2] en haar op 14 maart 2006 nogmaals gehoord.

1.4. De resultaten van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij een tot appellante en appellant gericht besluit van 22 september 2006 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2003 te herzien (lees: over de perioden van 1 juli 1997 tot 1 januari 1998 en van 1 april 1999 tot en met 31 december 2003 te herzien en over de periode van 1 januari 1998 tot 1 april 1999 in te trekken). Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, en dat gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2003 sprake is van inkomsten uit ontvangen rente en van 1 januari 1998 tot 1 april 1999 van een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens. Bij het genoemde besluit van 22 september 2006 heeft het College tevens de kosten van de als gevolg van die intrekking en herziening ten onrechte en tot een te hoog bedrag verleende bijstand tot een bedrag van € 13.385,13 van appellanten teruggevorderd.

1.5. Bij een eveneens tot appellante en appellant gericht besluit van 11 oktober 2006 heeft het College bij wijze van maatregel de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2006 met 30% gedurende 1 maand verlaagd op de grond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Het College heeft daarbij overwogen dat de reden voor het opleggen van een maatregel gelijk is aan die voor de intrekking, herziening en terugvordering van de bijstand.

1.6. Bij besluit van 26 februari 2007 heeft het College de bezwaren tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 26 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten de in beroep aangevoerde grond herhaald dat de tegoeden op de verzwegen rekeningen bij de Fortisbank niet behoren tot de middelen waarover appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

4. De Raad houdt het ervoor dat het hoger beroep, voor zover dat namens appellant is ingediend, uitsluitend ziet op het oordeel van de rechtbank over de op de bijstandsuitkering van appellanten naar de norm voor gehuwden toegepaste maatregel. Met betrekking tot de herziening en intrekking van de aan appellante verleende bijstand en de terugvordering komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat ten tijde hier van belang twee rekeningen bij de Fortisbank mede op naam van appellante hebben gestaan. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening (mede) op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante er niet in is geslaagd aan te tonen dat de tegoeden op de hiervoor bedoelde bankrekeningen bij de Fortisbank niet tot haar vermogen behoorden en kan zich volledig verenigen met de overwegingen waarop dat oordeel berust. Daaraan voegt hij toe dat appellante haar standpunt ook in hoger beroep met geen enkel objectief en verifieerbaar gegeven heeft ondersteund.

4.3. Door bij het College geen melding te maken van het bestaan van alsmede de tegoeden en de bijschrijvingen van rente op de rekeningen bij de Fortisbank heeft zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet op haar rustende verplichting geschonden. Als gevolg daarvan is aan appellante over de onder 1.4 vermelde tijdvakken ten onrechte bijstand respectievelijk tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over die tijdvakken in te trekken respectievelijk te herzien. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In aanmerking genomen dat ten aanzien van de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden zijn ingediend, houdt dat gedeelte van het besluit van 26 februari 2007 eveneens in rechte stand.

5. Met betrekking tot de maatregel overweegt de Raad dat uit 4.3 volgt dat de stelling van appellanten dat de inlichtingenverplichting niet is geschonden en dat geen sprake is van ten onrechte verleende bijstand niet kan worden gevolgd. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, was dan ook sprake van een maatregelwaardige gedraging. In aanmerking genomen dat ten aanzien van de maatregel verder geen zelfstandige beroepsgronden zijn ingediend, behoeft deze geen verdere bespreking meer.

6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

DW