Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
04-5085WAO+06-590WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Raad is met de besluiten van 23 februari 2009 erkend dat de bestreden besluiten niet worden gehandhaafd. Aanspraak appellant op vergoeding van wettelijke rente. Heropening onderzoek met het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn met daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) als partij in die procedure. Vernietiging uitspraken. Vernietiging besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5085 WAO + 06/590 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2004, 02/5601 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 7 december 2005, 05/1183 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Op 5 november 2008 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Stoppelenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De meervoudige kamer van de Raad heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer van de Raad.

Op 25 november 2009 heeft nogmaals onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 4 juli 2002 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 28 juli 2002 verlaagd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar is bij besluit van 2 december 2002 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 1 is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. Bij besluit van 29 november 2004 is de WAO-uitkering per 30 januari 2005 ingetrokken. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 28 april 2005 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij aangevallen uitspraak 2 eveneens ongegrond verklaard.

3.1. Op verzoek van de Raad heeft psychiater prof. dr. A.H. Schene als deskundige onderzoek verricht en verslag uitgebracht inzake de gezondheidstoestand van appellant op beide in geding zijnde data 28 juli 2002 en 30 januari 2005.

3.2. Na heropening van het onderzoek heeft het Uwv een expertiserapport van psychiater mr. drs. J. Groenendijk in het geding gebracht.

4.1. Bij de besluiten van 23 februari 2009 zijn de bezwaren tegen de besluiten van 4 juli 2002 en 29 november 2004 alsnog gegrond verklaard, die besluiten herroepen en is de mate van arbeidsongeschiktheid per 28 juli 2002 en per 30 januari 2005 ongewijzigd vastgesteld op 80-100%.

4.2. De Raad stelt vast dat met de besluiten van 23 februari 2009 geheel aan het hoger beroep tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 is tegemoetgekomen.

4.3. Appellant heeft de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van wettelijke rente en schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.4. De Raad stelt vast dat appellant belang heeft bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraken.

5. Naar het oordeel van de Raad is met de besluiten van 23 februari 2009 erkend dat de bestreden besluiten niet worden gehandhaafd. Derhalve dienen de beroepen tegen die besluiten alsnog gegrond te worden verklaard en de bestreden besluiten en de aangevallen uitspraken te worden vernietigd. Door het Uwv is erkend dat appellant aanspraak heeft op vergoeding van wettelijke rente. Derhalve dient het Uwv te worden veroordeeld tot vergoeding van de schade, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, voor de berekening waarvan de Raad verwijst naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

6. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009.

6.1. Voor procedure 04/5085 WAO betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 18 juli 2002 tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ruim vijf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim vier maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 19 december 2002 tot de uitspraak op 5 augustus 2004 één jaar en ruim zeven maanden geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 16 september 2004 tot de datum van deze uitspraak, vijf jaar en ruim drie maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat in procedure 04/5085 de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden door de rechtbank en de Raad.

6.2. Voor procedure 06/590 WAO geldt het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 10 december 2004 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en bijna een maand verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim vier maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 30 mei 2005 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim zes maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 30 januari 2006 van het hogerberoepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak 3 jaar en ruim 11 maanden geduurd. Aan deze vaststellingen kan het vermoeden worden ontleend dat in procedure 06/590 de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden door de Raad.

6.3. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedures met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in procedure 04/5085 en € 322,- in procedure 06/590 voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- in procedure 04/5085 en € 644,- in procedure 06/590 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2254,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2;

Verklaart de beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt die besluiten;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;

Bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 09/6547 BESLU en 09/6548 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2254,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 271,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

KR