Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
08-2570WAO+08-2571ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet. Besluit 1: De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Voldoende arbeidskundige grondslag. Besluit 2: De Raad ziet geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat appellante op 2 juli 2007 weer in staat was de werkzaamheden van ten minste één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies te vervullen. Geen benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2570 WAO en 08/2571 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2008, 07/884 en 07/3011, (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is in beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij op 12 juli 1999 uitviel met longklachten. Later zijn daar psychische klachten bijgekomen. Met ingang van 20 juni 2000 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sindsdien is zij volledig arbeidsongeschikt geacht.

1.2. In het kader van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellante op 7 juli 2006 onderzocht door een verzekeringsarts die haar belastbaar achtte voor passende arbeid, waarbij beperkingen zijn vastgesteld ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en aanpassingen aan de fysieke omgevingseisen. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 juli 2006. Op basis hiervan heeft een arbeidsdeskundige met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 november 2006 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard bij besluit van 21 februari 2007 (hierna: bestreden besluit 1).

1.3. Per 16 april 2007 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met migraine- en spanningsklachten. Na medisch onderzoek op 26 juni 2007 heeft de verzekeringsarts appellante per 2 juli 2007 hersteld verklaard voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2007 beslist dat appellante met ingang van 2 juli 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, bij besluit van 30 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Daartoe is overwogen dat het Uwv bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit ten onrechte heeft gemaximeerd op 38 uur, maar dat een herberekening op grond van de juiste maatmanomvang van 40 uur niet leidt tot enige mate van arbeidsongeschiktheid. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is door de rechtbank ongegrond verklaard.

08/2570 WAO

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat, omdat zij aan chronisch astma lijdt, allergie voor huisstof heeft, onder behandeling is van een psychiater voor een postpartum depressie en dat zij nog steeds nachtmerries, slaapstoornissen en aanvallen van angsten heeft. Voorts heeft zij gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de conclusie in het rapport van de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige E.H.J.M. Spanjers, inhoudende dat, ook als wordt uitgegaan van de door de verzekeringsarts gestelde beperkingen, zij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft geen reden voor een ander oordeel nu zij geen medische onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Hierin ziet de Raad eveneens geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige voor het verrichten van medisch onderzoek.

4.2. Met de rechtbank ziet de Raad evenmin aanleiding voor twijfel aan de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1. De arbeidsdeskundige heeft de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante gebaseerd op de functies medewerker administratieve ondersteuning (Sbc-code 211030), productiemedewerker metaal (Sbc-code 111171) en magazijn medewerker (Sbc-code 111220). Evenals de rechtbank acht de Raad de door de arbeidsdeskundige in zijn in bezwaar -herziene- rapportage van 15 september 2006 gegeven toelichtingen op de in het resultaat functiebeoordeling voorkomende signaleringen toereikend en overtuigend. Ten onrechte is in de in beroep overgelegde rapportage van register arbeidsdeskundige Spanjers van 4 april 2007 dan ook gesteld dat de gemarkeerde onderdelen niet zijn gemotiveerd. De Raad is voorts met de rechtbank, van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage 29 juni 2007 genoegzaam heeft toegelicht waarom de geselecteerde functies ondanks de bezwaren van Spanjers geschikt te achten zijn voor appellante. Nu de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 reeds in de bezwaarfase voldoende is gemotiveerd, ziet de Raad geen aanleiding aan appellante een vergoeding toe te kennen voor het opstellen van de rapportage door Spanjers, zoals namens appellante ter zitting verzocht. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het bestreden besluit 1 en voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

08/2571 ZW

5. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Op 2 juli 2007 was zij beslist niet in staat om te werken, omdat zij in die periode toenemende aanvallen had van haar depressie en astma.

6. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

6.2. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de hiervoor onder 4.2 genoemde functies, die aan de intrekking van de WAO-uitkering per 21 november 2006 ten grondslag zijn gelegd.

6.3. De Raad stelt in dit verband vast dat appellante primair is onderzocht door een verzekeringsarts, die beschikte over de medische gegevens uit het WAO-dossier. Deze verzekeringsarts achtte de medische situatie van appellante dezelfde als ten tijde van de WAO-beoordeling en achtte appellante geschikt voor de in dat kader geselecteerde functies. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellante op het spreekuur van 13 augustus 2007 onderzocht. Op basis hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts de conclusies van de verzekeringsarts bevestigd.

6.4. Nu door appellante in hoger beroep geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat appellante op 2 juli 2007 weer in staat was de werkzaamheden van ten minste één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies te vervullen. Evenmin ziet de Raad aanleiding tot het benoemen van een deskundige voor het verrichten van medisch onderzoek. De aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het bestreden besluit 2, dient mitsdien eveneens te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

IvR