Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
09-5798WAO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de intrekking van zijn WAO-uitkering in een onhoudbare financiële noodsituatie is geraakt. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat aan verzoeker een bijstandsuitkering is toegekend naar de toepasselijke norm en dat ter zitting is komen vast te staan dat verzoeker geen schulden heeft. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5798 WAO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 maart 2008, 07/5836 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 6 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker heeft mr. M.C. Huvers, advocaat te Hillegom, een verweerschrift ingediend.

Namens verzoeker heeft mr. Huvers een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. Namens verzoeker zijn verschenen mr. Huvers en P. Steijn, vader van verzoeker. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, na gemaakt bezwaar, de uitkering van verzoeker ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 augustus 2007 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoeker minder is dan 15%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door verzoeker tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt met in achtneming van die uitspraak.

3. In hoger beroep heeft het Uwv zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Namens verzoeker is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de vraag of daar in dit geval sprake van is, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

5.2. Namens verzoeker is in het verzoekschrift aangevoerd, ter zitting aangevuld, dat de spoedeisendheid is gelegen in het feit dat hij in een financiële noodsituatie is komen te verkeren. Aanvankelijk ontving hij vanaf de datum van de intrekking van de WAO-uitkering een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ter hoogte van zijn WAO-uitkering; het recht op deze uitkering is in september 2009 geëindigd. Thans ontvangt hij slechts een bijstandsuitkering en ondersteunen zijn ouders hem financieel, zo nodig.

5.3. De voorzieningenrechter constateert dat de financiële situatie van verzoeker, zoals die door zijn gemachtigden ter zitting is beschreven, thans minder is dan voorheen. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker evenwel niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de intrekking van zijn WAO-uitkering in een onhoudbare financiële noodsituatie is geraakt. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat aan verzoeker een bijstandsuitkering is toegekend naar de toepasselijke norm en dat ter zitting is komen vast te staan dat verzoeker geen schulden heeft. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM