Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
08-3783 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand met ingang van 12 januari 2006. De Raad vermag - anders dan appellant - niet in te zien dat het op basis van de rapportage genomen besluit van 20 april 2006 onzorgvuldig en ondeugdelijk tot stand is gekomen, omdat niet nogmaals een huisbezoek was afgelegd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een dergelijk oordeel te komen. De Raad wijst er hierbij op dat blijkens de rapportage van 29 maart 2006 is afgewogen of er na het gesprek met appellant nog een huisbezoek zou moeten plaatsvinden. Dit betekent dat naar het oordeel van de Raad niet gesteld kan worden dat het recht op bijstand van betrokkene ten tijde in geding niet vastgesteld kan worden op grond van nog bestaande onduidelijkheden met betrekking tot zijn woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3783 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2008, 07/2833 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 5 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A. van den Berg, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft op 13 januari 2006 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. In verband met deze aanvraag hebben twee medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI) van de gemeente Amsterdam op 15 februari 2006 een huisbezoek afgelegd op het door betrokkene opgegeven woonadres [adres] te [plaatsnaam]. Dit huisbezoek is, volgens de rapportage van 17 februari 2006, voortijdig afgebroken door de agressieve houding van betrokkene tegenover deze medewerkers. Bij besluit van 20 februari 2006 heeft appellant de aanvraag van betrokkene afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene onvoldoende heeft meegewerkt aan het huisbezoek van 15 februari 2006, waardoor zijn woonsituatie niet beoordeeld kan worden en derhalve het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

1.2. Op 27 februari 2006 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag ingediend. Betrokkene is opgeroepen op 28 maart 2006 te verschijnen bij DWI in verband met een controle van zijn woonsituatie. De bevindingen van dit gesprek zijn neergelegd in een rapportage van 29 maart 2006. Bij besluit van 20 april 2006 is betrokkene bijstand toegekend met ingang van 27 februari 2006.

1.3. Bij besluit van 11 april 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2006 ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 8 mei 2007, 06/2202, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 11 april 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat appellant de in het kader van de aanvraag van 27 februari 2006 verkregen informatie over de woonsituatie van betrokkene bij de heroverweging van het besluit van 20 februari 2006 had dienen te betrekken en had moeten bezien of met deze informatie, in combinatie met de bevindingen van het huisbezoek van 15 februari 2006, de woonsituatie van betrokkene alsnog was te verifiëren en het recht op bijstand was vast te stellen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.5. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2007 heeft appellant bij besluit van 19 juni 2007 opnieuw op het bezwaar beslist en wederom het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkregen informatie in het kader van de aanvraag van

27 februari 2006 niet zonder huisbezoek had mogen leiden tot toekenning van bijstand. De beslissing van 20 april 2006 is naar het oordeel van appellant dan ook op onzorgvuldige en ondeugdelijke wijze tot stand gekomen en kan niet leiden tot de conclusie dat ten aanzien van de periode in geding het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 19 juni 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit van 20 februari 2006 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op bijstand met ingang van 12 januari 2006. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat de rechtbank het onverenigbaar acht dat appellant op basis van dezelfde gegevens ten aanzien van eenzelfde uitkeringsadres concludeert dat betrokkene met ingang van 27 februari 2006 wel, maar over de voorliggende periode van 12 januari 2006 tot 27 februari 2006 niet in aanmerking komt voor bijstand.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting of de medewerkingsverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of worden ingetrokken.

4.2. De Raad stelt vast dat blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de onduidelijkheid met betrekking tot de woonsituatie van betrokkene als gevolg van het afgebroken huisbezoek van 15 februari 2006 nog betrekking had op de kook- en douchegelegenheid van betrokkene.

4.3. De Raad stelt vervolgens vast dat uit de rapportage van 29 maart 2006 blijkt dat de betreffende handhavingsspecialist tot de conclusie is gekomen dat door betrokkene op 28 maart 2006 de nog ontbrekende inlichtingen omtrent zijn woonsituatie zijn verstrekt en dat de woonsituatie conform de opgave van betrokkene kan worden vastgesteld. Een huisbezoek werd door deze handhavingsspecialist niet noodzakelijk geacht.

4.4. De Raad vermag - anders dan appellant - niet in te zien dat het op basis van deze rapportage genomen besluit van 20 april 2006 onzorgvuldig en ondeugdelijk tot stand is gekomen, omdat niet nogmaals een huisbezoek was afgelegd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een dergelijk oordeel te komen. De Raad wijst er hierbij op dat blijkens de rapportage van 29 maart 2006 is afgewogen of er na het gesprek met appellant nog een huisbezoek zou moeten plaatsvinden. Dit betekent dat naar het oordeel van de Raad niet gesteld kan worden dat het recht op bijstand van betrokkene ten tijde in geding niet vastgesteld kan worden op grond van nog bestaande onduidelijkheden met betrekking tot zijn woonsituatie.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het besluit van 19 juni 2007 op goede gronden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft vernietigd en terecht heeft bepaald, onder herroeping van het primaire besluit van 10 februari 2006, dat appellant recht heeft op bijstand met ingang van 12 januari 2006. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B.E. Giesen.

DW