Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
08-1434 WWB + 08-1435 WWB + 08-6979 WWB + 08-6980 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellanten hebben geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het saldo niet aan hen maar aan hun (schoon)moeder toebehoorde. De Raad acht de conclusie gerechtvaardigd dat met betrekking tot periode 3 nog steeds niet een zodanige mate van inzicht in de inkomens- en vermogenspositie van appellanten is verkregen dat het recht op bijstand over die periode kan worden vastgesteld. In hoeverre hetzelfde kan worden gezegd van periode 2 laat de Raad in het midden, reeds omdat het College ter zitting heeft verklaard de polis voor die periode buiten beschouwing te willen laten. De stelling van appellanten dat zij niet voor zichzelf over het tegoed op de bankrekening konden beschikken, faalt op de aangegeven gronden. De berekening van de in mindering te brengen inkomsten is niet afzonderlijk bestreden. Hetgeen door appellanten naar voren is gebracht leidt evenmin tot het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn uit artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB voortvloeiende bevoegdheid om het recht op bijstand over periode 2 te herzien. Gelet hierop was het College tevens bevoegd tot terugvordering over de in geding zijnde perioden. Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1434 WWB

08/1435 WWB

08/6979 WWB

08/6980 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 januari 2008, 07/698 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en op 18 november 2008 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009. Voor appellanten is mr. Bokhorst verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.W. Bekker, werkzaam bij de gemeente Veenendaal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 1993 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Uit informatie van het Inlichtingenbureau is naar voren gekomen dat appellanten beschikken over een bankrekening bij de Rabobank, die zij niet aan het College hebben opgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft het College door de Sociale Recherche Ede een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 september 2006.

1.2. Bij brief van 14 september 2006 heeft het College appellanten verzocht om - voor zover thans nog van belang - vóór 11 oktober 2006 alle op de bankrekening betrekking hebbende bankafschriften vanaf 1 juli 1997 tot 6 oktober 2004 en vanaf 23 december 2005 toe te zenden. Omdat appellanten niet aan dit verzoek hebben voldaan, heeft het College bij besluit van 27 oktober 2006 het recht op bijstand per 11 oktober 2006 opgeschort en appellanten de gelegenheid geboden het verzuim vóór 10 november 2006 te herstellen.

1.3. Nadat appellante telefonisch had meegedeeld niet over de gevraagde stukken te beschikken en deze ook niet te kunnen verkrijgen, heeft het College bij besluit van 16 november 2006 de bijstand met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2006 tot een bedrag van € 127.047,40 bruto en € 9.900,63 netto van appellanten teruggevorderd. Aan de intrekking heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid (oud), van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat dit ertoe heeft geleid dat hun recht op bijstand niet meer is vast te stellen.

1.4. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het College - voor zover thans nog van belang - het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2006 ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 5 augustus 2004 (hierna: periode 1) en van 23 december 2005 tot en met 30 september 2006 (hierna: periode 3) het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat appellanten over die perioden de gevraagde bankafschriften niet hebben overgelegd, maar dat de afschriften over de periode van 6 augustus 2004 tot en met 23 december 2005 (hierna: periode 2) wel zijn overgelegd en dat het College op grond van deze afschriften en de reeds bekende inkomensgegevens in staat moet worden geacht het recht op bijstand over periode 2 vast te stellen. Om die reden heeft de rechtbank, met gegrondverklaring van het beroep van appellanten, het besluit van 12 maart 2007 vernietigd wat betreft de intrekking van het recht op bijstand over periode 2 en wat betreft de terugvordering in haar geheel. Verder heeft de rechtbank het College opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen en bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3. In hoger beroep hebben appellanten de aangevallen uitspraak bestreden voor zover deze betrekking heeft op de perioden 2 en 3.

4. Bij het in rubriek I genoemde nieuwe besluit van 18 november 2008 heeft het College het bezwaar wat betreft periode 2 (tot en met 31 december 2005) alsnog gegrond verklaard en het recht op bijstand over deze periode herzien door rekening te houden met de ontvangen inkomsten die niet eerder waren doorgegeven. Daarbij is het bedrag van de terugvordering bepaald op € 125.604,87 bruto.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellanten bij het College melding hadden moeten maken van de op hun naam gestelde bankrekening bij de Rabobank. Door dit niet te doen, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.2. Appellanten hebben in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat het geld op de bankrekening niet van hen was, maar was bestemd voor aanschaffingen ten behoeve van de bejaarde moeder van appellante. Deze beroepsgrond treft geen doel. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. In deze situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate het tegendeel aan te tonen. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Zij hebben geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het saldo niet aan hen maar aan hun (schoon)moeder toebehoorde.

5.3. In hoger beroep hebben appellanten alsnog de bankafschriften over periode 3 overgelegd. Het verweer van het College dat de rechtbank met deze stukken geen rekening heeft kunnen houden en dat niet duidelijk is waarom deze niet eerder in procedure zijn gebracht, slaagt niet. Naar vaste rechtspraak van de Raad kunnen, indien aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, in de loop van de procedure - nog tot in hoger beroep - door de betrokkene gegevens worden overgelegd die van belang zijn voor de aanspraak op bijstand over de betrokken periode. Aan de hand van de dan beschikbare gegevens moet worden bezien of vaststelling van het recht op bijstand alsnog tot de mogelijkheden behoort.

5.4. Naar het oordeel van de Raad is dit laatste hier echter niet het geval. Terecht heeft het College erop gewezen dat, blijkens de bankafschriften, op 6 december 2006 een bedrag van € 9.796,53 is bijgeschreven met de vermelding "Fortis Beleggingscons afkoop polis". Deze bijschrijving heeft weliswaar plaatsgevonden buiten de periode in geding, maar gelet op de hoogte van het bedrag en op de omstandigheid dat het kennelijk om afkoop van een polis ging is aannemelijk dat hier sprake is van een reeds in periode 3 aan appellanten toe te rekenen - aanmerkelijk - vermogensbestanddeel. Van de zijde van appellanten is ter zitting verklaard dat zij over deze polis en de eventuele opbrengsten daarvan geen nadere gegevens kunnen verstrekken. Gelet daarop acht ook de Raad de conclusie gerechtvaardigd dat met betrekking tot periode 3 nog steeds niet een zodanige mate van inzicht in de inkomens- en vermogenspositie van appellanten is verkregen dat het recht op bijstand over die periode kan worden vastgesteld. In hoeverre hetzelfde kan worden gezegd van periode 2 laat de Raad in het midden, reeds omdat het College ter zitting heeft verklaard de polis voor die periode buiten beschouwing te willen laten.

5.5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5.6. Bij het nieuwe besluit van 18 november 2008 heeft het College, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist omtrent periode 2. Dit besluit wordt op de voet van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.

5.7. De stelling van appellanten dat zij niet voor zichzelf over het tegoed op de bankrekening konden beschikken, faalt op de reeds onder 5.2 aangegeven gronden. De berekening van de in mindering te brengen inkomsten is niet afzonderlijk bestreden. Hetgeen door appellanten naar voren is gebracht leidt evenmin tot het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn uit artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB voortvloeiende bevoegdheid om het recht op bijstand over periode 2 te herzien. Gelet hierop was het College tevens bevoegd tot terugvordering over de in geding zijnde perioden. Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat dit onderdeel van het besluit van 18 november 2008 geen nadere bespreking behoeft.

5.8. De Raad zal het beroep tegen het besluit van 18 november 2008 dan ook ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

mm