Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
07-4951 WWB + 08-3807 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand na verklaring van appellant: Gezien de inhoud van de verklaring van appellant, bezien in samenhang met de aangekondigde verlaging van de uitkering met 100% gedurende twee maanden acht de Raad het echter aannemelijk dat appellant niet heeft begrepen dat hij als gevolg van die verklaring ook na afloop van die twee maanden geen recht meer heeft op bijstand en dat bij eventuele toekenning van een nieuwe uitkering ingevolge de WWB, de verlaging van 100% gedurende twee maanden naar verwachting alsnog wordt uitgevoerd. Het had met het oog op genoemde omstandigheden op de weg van het College gelegen om appellant op die gevolgen te wijzen. Toekenning van bijstand en maatregel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 94 met annotatie van P.E. Broekman
JWWB 2010, 52
ABkort 2010/32
USZ 2010/55
JB 2010/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4951 WWB

08/3807 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 11 juli 2007, 06/2148, en van 23 mei 2008, 07/450,

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: het College)

Datum uitspraak: 5 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.E.J.P.M. Rutten, advocaat te Geleen, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het College heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009 waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.G. Kubben, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In juli 2005 is appellant met een traject gestart gericht op arbeidsinschakeling. Vanuit dit traject is hij medio februari 2006 aangemeld voor een vacature bij Bouwflex via Werkplein Zuid-Limburg, waar hij uiteindelijk vanaf 18 april 2006 zou starten. Appellant heeft zonder voorafgaand overleg het traject beëindigd. Vervolgens is appellant op 18 april 2006 zonder afmelding niet op zijn werk verschenen. Omdat appellant heeft gesteld op die dag arbeidsongeschikt te zijn is hij door de keuringsarts van de GGD onderzocht. De GGD-arts kwam tot de conclusie dat appellant arbeidsgeschikt was. Nadat appellant vervolgens zonder voorafgaand overleg heeft laten weten op 25, 27 en 28 april 2006 met verlof te zijn heeft de werkgever besloten dat appellant vanaf 27 april 2006 niet meer welkom is. In een gesprek op 1 mei 2006 met medewerkers van de Afdeling werk en inkomen is aan appellant meegedeeld dat deze gedragingen zullen leiden tot een verlaging van de bijstand met 100% gedurende 2 maanden. Vervolgens heeft appellant aansluitend de volgende verklaring afgelegd:

“Ik heb niet meegewerkt aan om de volgende reden: Vanwege verschillende persoonlijke redenen heb ik niet meegewerkt. Ik ben me ervan bewust dat dit een verlaging op mijn uitkering tot gevolg heeft. Ik ben me er tevens van bewust dat dit een verlaging is van 2 maanden 100%. Ik kies er dan ook voor om binnen 2 maanden in mijn eigen bestaan te voorzien. Met ingang van 01-05-2005 kan mijn uitkering worden beëindigd.

De Gemeente Sittard-Geleen kan mijn uitkering op mijn eigen verzoek beëindigen ingaande 01-05-2006.”

1.2. Bij besluit van 30 mei 2006, voor zover van belang, heeft het College de bijstand van appellant op eigen verzoek met ingang 1 mei 2006 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2006, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2006 ongegrond verklaard.

1.4. Op 7 september 2006 heeft appellant weer bijstand aangevraagd met ingang van 1 juni 2006. Bij besluit van 27 september 2006 is hem met ingang van 21 augustus 2006 een uitkering ingevolgde de WWB toegekend. Bij datzelfde besluit is de bijstand met ingang van 21 augustus 2006 verlaagd met 100% gedurende twee maanden. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Appellant heeft tegen de ingangsdatum van de uitkering en de opgelegde maatregel bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het College het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat de verlaging wordt bepaald op 100% gedurende 1 maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak van 11 juli 2007, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2006 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak van 23 mei 2008 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd voor zover de beroepen tegen de besluiten van 28 augustus 2006 en 13 februari 2007 ongegrond zijn verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De intrekking van de uitkering.

4.1.1. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het College hem had moeten wijzen op de gevolgen van zijn verklaring en dat het College door dit na te laten onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.1.2. De Raad stelt vast dat het College de onder 1.1 opgenomen verklaring van appellant heeft aangemerkt als een ondubbelzinnig verzoek tot intrekking van zijn uitkering vanaf 1 mei 2006 voor onbepaalde tijd.

Gezien de inhoud van de verklaring van appellant, bezien in samenhang met de aangekondigde verlaging van de uitkering met 100% gedurende twee maanden acht de Raad het echter aannemelijk dat appellant niet heeft begrepen dat hij als gevolg van die verklaring ook na afloop van die twee maanden geen recht meer heeft op bijstand en dat bij eventuele toekenning van een nieuwe uitkering ingevolge de WWB, de verlaging van 100% gedurende twee maanden naar verwachting alsnog wordt uitgevoerd. Het had met het oog op genoemde omstandigheden op de weg van het College gelegen om appellant op die gevolgen te wijzen. De omstandigheid dat de verlaging van 100% gedurende twee maanden naar verwachting alsnog wordt uitgevoerd, indien na beëindiging van de bijstand opnieuw een uitkering ingevolge de WWB wordt toegekend, is appellant echter eerst in het besluit van 27 september 2006 medegedeeld. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad door toedoen van het College gedwaald over de gevolgen van zijn verklaring. Aan de stelling van het College dat appellant tijdens het gesprek op 1 mei 2006 zou hebben gezegd dat hij geen uitkering meer wilde omdat hij verwachtte op korte termijn werk te vinden gaat de Raad voorbij, nu de inhoud van deze stelling, bij gebrek aan een verslag van dat gesprek, niet is te verifiëren. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het College aan de verklaring van appellant van 1 mei 2006 ten onrechte de conclusie heeft verbonden dat de bijstand van appellant per 1 mei 2006 dient te worden ingetrokken. Het besluit van 28 augustus 2006 voor zover daarbij de intrekking van de bijstand in stand is gelaten is derhalve genomen in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel. Het dient om die reden in zoverre te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak van 11 juli 2007 dient derhalve voor zover aangevochten te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen besluit van 28 augustus 2006 gegrond verklaren voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 mei 2006. Nu de Raad niet is gebleken van omstandigheden die het recht op bijstand in de weg staan, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 30 mei 2006 in zoverre te herroepen en te bepalen dat appellant vanaf

1 mei 2006 bijstand toekomt naar de voor hem van toepassing zijnde norm.

4.2. De toekenning van bijstand met ingang van 21 augustus 2006.

4.2.1. Aan het besluit van 27 september 2006 tot toekenning van bijstand met ingang van 21 augustus 2006 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat appellant door de intrekking van de bijstand per 1 mei 2006 geen recht op bijstand had en dat daarom opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Gelet op hetgeen onder 4.1.2. is overwogen moet dit uitgangspunt - achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden. Dit betekent dat ook het besluit van 13 februari 2007 voor zover het ziet op de toekenning van bijstand met ingang van 21 augustus 2006 een deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak van 23 mei 2008 dient te worden vernietigd voor zover die betrekking heeft op de toekenning van bijstand per 21 augustus 2006. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 13 februari 2007 in zoverre gegrond verklaren en dat besluit voor zover het betrekking heeft op de toekenning van bijstand per 21 augustus 2006 vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 27 september 2006 in zoverre te herroepen.

4.3. De maatregel

4.3.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 23 mei 2008 gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan naar haar oordeel de opgelegde maatregel in rechte stand kon houden. De rechtbank is daarbij ingegaan op de door appellant naar voren gebrachte stellingen. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. In hetgeen in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in beroep - is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

5. Slotoverwegingen

5.1. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- in beide beroepen en op € 644,-- in beide hoger beroepen, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.932,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 11 juli 2007 voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 augustus 2006 voor zover het ziet op de intrekking van bijstand met ingang van 1 mei 2006;

Herroept het besluit van 30 mei 2006 en bepaalt dat appellant vanaf 1 mei 2006 bijstand toekomt naar de voor hem van toepassing zijnde norm;

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 23 mei 2008 voor zover die betrekking heeft op de toekenning van bijstand met ingang van 21 augustus 2006;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 februari 2007 in zoverre;

Herroept het besluit van 27 september 2006 in zoverre;

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 23 mei 2008 voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 290,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B.E. Giesen.

NK