Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
07-6803 WWB + 07-6818 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand over een aantal in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2006 gelegen maanden en tot terugvordering over die maanden. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier nog aan toe dat blijkens de beschikbare gegevens ook voor auto’s die naar sloopbedrijven zijn gebracht geld werd ontvangen, maar dat wegens het ontbreken van een deugdelijke boekhouding of administratie niet bekend is welke bedragen voor die auto’s zijn betaald. Dit brengt met zich dat het recht op bijstand ook over de maanden waarin auto’s naar sloopbedrijven zijn gebracht niet kan worden vastgesteld en dat, anders dan appellanten in hoger beroep hebben betoogd, het in bezwaar gehandhaafde intrekkings- en terugvorderingsbesluit ook wat betreft die maanden de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6803 WWB

07/6818 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 november 2007, 07/66 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.P.M.G. Schreurs, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Schreurs. Het College heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen geruime tijd bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand is informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) en heeft appellant op 22 september 2006 een verklaring afgelegd over de auto’s die in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2006 op zijn naam hebben gestaan.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 5 oktober 2006 de bijstand van appellanten over een aantal in voornoemde periode gelegen maanden in te trekken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van in totaal € 34.812,47 van hen terug te vorderen. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het College het tegen het besluit van 5 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan melding te maken aan het College, inkomsten uit de verkoop van auto’s hebben genoten en dat als gevolg van het ontbreken van een deugdelijke boekhouding of administratie van de autohandel het recht op bijstand over genoemde maanden niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 december 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat aannemelijk is dat appellant zich in de betrokken maanden met autohandel heeft beziggehouden en dat appellant niet heeft aangetoond dat de auto’s waar het hier om gaat niet van hem waren maar van zijn zonen [zoon 1] en [zoon 2].

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan naar haar oordeel het besluit tot intrekking van de bijstand over een aantal in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2006 gelegen maanden en tot terugvordering van de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellanten in rechte stand kan houden. De rechtbank is daarbij uitvoerig ingegaan op de door appellanten naar voren gebrachte stellingen.

4.2. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. In hetgeen in hoger beroep - hoofdzakelijk bij wijze van herhaling van het gestelde in beroep - is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen.

4.3. De Raad voegt hier nog aan toe dat blijkens de beschikbare gegevens ook voor auto’s die naar sloopbedrijven zijn gebracht geld werd ontvangen, maar dat wegens het ontbreken van een deugdelijke boekhouding of administratie niet bekend is welke bedragen voor die auto’s zijn betaald. Dit brengt met zich dat het recht op bijstand ook over de maanden waarin auto’s naar sloopbedrijven zijn gebracht niet kan worden vastgesteld en dat, anders dan appellanten in hoger beroep hebben betoogd, het in bezwaar gehandhaafde intrekkings- en terugvorderingsbesluit ook wat betreft die maanden de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B.E. Giesen.

NK