Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
08-448 WWB-R
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is de rectificatie van ECLI:NL:CRVB:2009:BK0166

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/448 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer



G E R E C T I F I C E E R D E U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

I [Appellant] wonende te [woonplaats](hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2007, 06/2518 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 22 september 2009

I PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkouwer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 15 januari 2001 tot en met 31 januari 2003 algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande, jonger dan 21 jaar. Voorts ontving appellant van 15 januari 2001 tot en met 14 juni 2003 periodieke bijzondere bijstand in aanvulling op de algemene bijstand.

1.2.

Naar aanleiding van ontvangen loongegevens van de Belastingdienst heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is via de informatiebron Suwinet de verzekerdenadministratie van het UWV geraadpleegd. Op grond van de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 26 oktober 2005, heeft het College geconcludeerd dat appellant gedurende de periode van 1 april 2002 tot en met 3 oktober 2002 werkzaamheden heeft verricht voor Pem Uitzendorganisatie en Aurora In- en Ompakbedrijf en daaruit inkomsten heeft genoten zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt. Het College heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 18 november 2005 de algemene bijstand van appellant over de periode van 1 april 2002 tot en met 31 oktober 2002 te herzien en de kosten van algemene bijstand over deze periode terug te vorderen tot een bedrag van € 1.038,69. Voorts heeft het College bij afzonderlijk besluit van 18 november 2005 de bijzondere bijstand van appellant over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2002 ingetrokken en de kosten van bijzondere bijstand over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 1.949,10.

1.3.

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het College de bezwaren tegen de beide besluiten van

18 november 2005 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij over de periode hier in geding geen inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat de werkgevers Pem uitzendorganisatie en Aurora In- en Ompakbedrijf hem volledig onbekend zijn.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de herziening en intrekking van een eerder toegekend recht op bijstand en dus om een voor appellant belastend besluit. Dit brengt met zich dat op het College de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening en intrekking van de bijstand over te gaan. Toegespitst op het onderhavige geschil, is het daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten.

4.2.

In gevallen waarin het College van de Belastingdienst een signaal ontvangt over door een belanghebbende genoten inkomsten uit arbeid, heeft het College naar vaste rechtspraak in voldoende mate aan de onder 4.1 bedoelde onderzoeksplicht en bewijslast voldaan, indien de uit het onderzoek naar dat signaal van de werkgever en/of de verzekerdenadministratie (tot 1 januari 2006) van het UWV verkregen gegevens de informatie van de Belastingdienst bevestigen. Daarbij is wel vereist dat de uit beide bronnen verkregen gegevens op relevante onderdelen, waaronder het sofinummer van de betrokkene, de werkgever, de arbeidsverhouding en het loon van de betrokkene, met elkaar overeenstemmen.

4.3.

Het College heeft zijn standpunt dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst en gegevens uit de verzekerdenadministratie van het UWV. Met appellant en anders dan de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat daarmee niet is aangetoond dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten, aangezien de gegevens van de Belastingdienst en de gegevens van het UWV niet geheel met elkaar overeenstemmen. Bij Aurora In- en Ompakbedrijf wordt bij de gegevens van de Belastingdienst uitgegaan van een gewerkte periode van 1 april 2002 tot en met 9 juni 2002 en een bruto loon van € 2.607,--, terwijl volgens de gegevens van het UWV er sprake is van een gewerkte periode van 1 april 2002 tot en met 2 juni 2002 en een bruto loon van € 2.476,--. Bij Pem uitzendorganisatie wordt bij de gegevens van de Belastingdienst uitgegaan van een gewerkte periode van 3 juni 2002 tot en met 29 september 2002 en een bruto loon van € 2.729,--, terwijl bij de gegevens van het UWV sprake is van een gewerkte periode van

3 juni 2002 tot en met 3 oktober 2002 en het loon onbekend is. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit de gedingstukken niet blijkt dat deze verschillen nader zijn onderzocht. Ook heeft de gemachtigde van het College tijdens de behandeling ter zitting geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. Het had derhalve op de weg van het College gelegen een nader onderzoek in te stellen.

4.4.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het besluit van 12 mei 2006 een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet aanleiding om gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Nu beide primaire besluiten van 18 november 2005 berusten op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk gebleken, grondslag als het besluit van 12 mei 2006 en dat gebrek, mede gelet op het tijdsverloop, niet meer kan worden hersteld, zal de Raad deze besluiten herroepen.

5.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Rectificeert zijn uitspraak van 22 september 2009, 08/488 WWB, als volgt:

In rubriek “Beslissing” wordt in plaats van “veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--; gelezen “veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen aan de griffier van de Raad;”.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en

O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B.E. Giesen.

AV