Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
08-6791 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen benoeming onafhankelijk deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6791 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2008, 07/9158

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Voor appellant is verschenen mr. drs. Boumanjal, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door

drs. P.F.G. Hermans.

II OVERWEGINGEN

1.

Nadat appellant wegens psychische klachten was uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker, is hij door een rechtsvoorganger van het Uwv ingaande 17 mei 1993 in aanmerking gebracht voor een naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering ingevolge - voor zover hier van belang: onder meer - de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

2.1.

Bij besluit van 15 juni 2007 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van

22 juli 2007 ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.2.

Het tegen evenvermeld besluit gemaakte bezwaar van appellant is ongegrond verklaard bij besluit van 31 oktober 2007, hierna: het bestreden besluit.

3.1.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.2.

De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, overwogen dat geen aanleiding bestaat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de medische situatie van appellant in de fase van de primaire besluitvorming achtereenvolgens door twee verzekeringsartsen is beoordeeld, waarbij ook informatie is ingewonnen bij appellants huisarts.

3.3.

Voorts is op verzoek van de verzekeringsartsen een expertiseonderzoek verricht door psychiater E.F. van Ittersum. Aan de rechtbank is niet kunnen blijken dat het onderzoek door die psychiater niet zorgvuldig zou zijn geweest. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat in onderzoeken in het verleden, bijvoorbeeld in het onderzoek door de psychiater uit het Dijkzigt ziekenhuis van mei 1995, ook twijfels zijn geuit over de medische objectiveerbaarheid van de klachten van appellant. De uitkomsten van het onderzoek door Van Ittersum zijn betrokken bij de oordeelsvorming door de verzekeringsartsen.

3.4.

Vervolgens heeft in de bezwaarfase nog weer een beoordeling plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft, gelet op het geheel van de omtrent appellant naar voren gekomen medische gegevens, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat, als namens appellant gesteld, de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting aanwezig had moeten zijn en appellant zelf medisch had dienen te onderzoeken.

3.5.

Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten gezien om het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist te achten. Na ontvangst van het expertiserapport van

Van Ittersum en na overleg met de eerste primaire verzekeringsarts en de stafverzekeringsarts, heeft de tweede verzekeringsarts J. Witpaard, aldus de rechtbank, aangegeven dat ten aanzien van werken een aantal beperkingen bestaat. Tevens heeft Witpaard aangegeven dat sprake is van vage en onduidelijke klachten, die niet of nauwelijks als rechtstreeks en medisch objectief vastgesteld gevolg van ziekte of gebrek zijn aan te merken. Van Ittersum heeft bij het door hem ingestelde onderzoek bij appellant geen psychische stoornis of een stoornis in de persoonlijkheid geconstateerd. In zijn rapport heeft Van Ittersum naar het oordeel van de rechtbank op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden zijn conclusies steunen.

3.6.

Rapportages van verzekeringsartsen uit voorgaande jaren waarin andere conclusies zijn vervat inzake de psychische problematiek van appellant, kunnen volgens de rechtbank niet leiden tot twijfels aan (zo begrijpt de Raad: de uitkomsten van) het huidige onderzoek.

3.7.

Ten slotte heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter het standpunt van het Uwv inzake de passendheid voor appellant van de functies die, na het vervallen van één daarvan in de fase van het beroep, als basis voor de schatting resteren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de belasting van die functies past binnen de belastbaarheid van appellant.

3.8.

Ook overigens, wat betreft het functieniveau, heeft de rechtbank, daarbij mede gelet op de door appellant gevolgde schoolopleiding - waarbij de rechtbank op basis van de beschikbare gegevens heeft aangenomen dat appellant het lager onderwijs heeft afgerond - alsmede gelet op het eenvoudige karakter van de bij de schatting betrokken functies, die functies als voor appellant geschikt aangemerkt.

4.1.

De Raad stelt vast dat de gronden van appellant in hoger beroep in overwegende mate een herhaling vormen van de eerder naar voren gebrachte bezwaren.

4.2.

De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.

4.3.

Naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde van appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad dat hij in het rapport van psychiater

Van Ittersum geen enkel aanknopingspunt heeft aangetroffen om te twijfelen aan diens objectiviteit en deskundigheid. De door de gemachtigde van appellant gestelde ervaringen met rapporten van Van Ittersum in andere zaken, kunnen bezwaarlijk worden aangemerkt als een toereikende grond om voorbij te gaan aan de - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook naar het oordeel van de Raad op zorgvuldig onderzoek berustende en inzichtelijk en overtuigend onderbouwde - conclusies waartoe deze psychiater in zijn rapport van 8 januari 2007 ten aanzien van appellant is gekomen.

4.4.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, zijn de conclusies van Van Ittersum in lijn met hetgeen door artsen al eerder over de objectiveerbaarheid van appellants klachten is gerapporteerd. Voorts kan de Raad er niet aan voorbijgaan dat appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van het oordeel waartoe de verzekeringsartsen, mede op geleide van de conclusies van Van Ittersum, zijn gekomen.

4.5.

In het overwogene onder 4.3 en 4.4 ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding heeft gezien over te gaan tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige.

4.6.

Aldus uitgaande van de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsartsen, staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat de bij de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies geacht kunnen worden binnen zijn bereik te liggen. De belasting van de functies blijft, naar ook de rechtbank heeft geoordeeld, binnen de belastbaarheid van appellant. Ook in arbeidskundig opzicht zijn de functies naar het oordeel van de Raad terecht als passend aangemerkt. De Raad acht daarbij in het bijzonder van belang dat, naar ook is uiteengezet door bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde in het rapport van 27 februari 2008, het om eenvoudige, productiematige functies gaat, die slechts geringe eisen stellen aan beheersing van de Nederlandse taal. Specifieke eisen aan lezen of schrijven worden niet gesteld. Instructies kunnen in dit soort functies veelal (ook) mondeling worden verstrekt.

4.7.

Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.6 voert tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

JL