Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BL0797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
09-218 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WW-uitkering welke - onder toepassing van artikel 13, zesde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen - is berekend naar een van het WAO-vervolgdagloon afgeleid dagloon. Uitgangspunt historisch dagloon. Met de aansluiting bij het WAO-vervolgdagloon wordt recht gedaan aan het vereiste dat het dagloon voldoende inkomensbescherming biedt op het welvaartsniveau dat de werknemer had voor het intreden van het verzekerde risico. Bij het intreden van de ziekte en arbeidsongeschiktheid was dat het voorheen genoten loon en na het verstrijken van de uitkeringsduur van de loondervingsuitkering WAO is dat de WAO-vervolguitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/218 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 november 2008 , 08/817 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 8 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6 oktober 2009. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Betrokkene ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Deze uitkering is laatstelijk gebaseerd op het zogenaamde WAO-vervolgdagloon. Appellant heeft met ingang van 1 augustus 2007 de WAO-uitkering herzien en gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

2. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de WW is bij besluit van 20 augustus 2007 aan betrokkene met ingang van 1 augustus 2007 een WW-uitkering toegekend welke - onder toepassing van artikel 13, zesde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) - is berekend naar een van het WAO-vervolgdagloon afgeleid dagloon van € 31,30. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 11 maart 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij - onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 augustus 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN BB1791 - geoordeeld dat, kort weergegeven, artikel 13, zesde lid, van het Besluit in strijd is met artikel 45 van de WW en derhalve als onverbindend buiten toepassing dient te blijven. De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen in voornoemde uitspraak is overwogen en verwijst naar de inhoud daarvan.

4. Appellant kan zich niet vinden in het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen en heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. In artikel 45, eerste lid, van de WW wordt - voor zover hier van belang - als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar voorafgaande aan het arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van één dag. Artikel 45, tweede lid, van de WW bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit.

5.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit is het WW-dagloon van de werknemer die op de dag voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO heef ontvangen naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, indien die uitkering met ingang van de eerste werkloosheidsdag wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op grond van artikel 43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de WAO, gelijk aan het laatstelijk verdiende WAO-dagloon.

Het zesde lid bevat ten opzichte van het eerste lid een afwijkende vaststelling van het WW-dagloon. In het zesde lid wordt namelijk bepaald, dat indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering laatstelijk was gebaseerd op een WAO-vervolgdagloon bij de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid voor ‘WAO-dagloon’ wordt gelezen: WAO-vervolgdagloon.

5.3. De Raad kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank, zoals onder 3 weergegeven, en verwijst daarbij naar zijn recente uitspraak van 14 mei 2009 (onder meer LJN BI4685). Daarin heeft de Raad in een soortgelijk geding - kort samengevat - het volgende oordeel neergelegd. Met de invoering van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis) is ook de tekst van, onder meer, artikel 45 van de WW tot stand gekomen, zoals hiervoor onder 5.1 aangehaald. In de toelichting hierop, waarbij wordt verwezen naar de gelijkluidende bepaling in artikel 15 van de Ziektewet, blijkt dat in dit artikel de gedachte tot uitdrukking wordt gebracht dat de uitkering gebaseerd dient te worden op basis van verdiensten in het verleden (historisch dagloon). Deze grondslag is zodanig uitgewerkt dat het dagloon wordt berekend door het loon dat de werknemer in een jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid verdiende, te vertalen naar het loon dat gemiddeld per dag werd verdiend. Artikel 45, tweede lid, van de WW biedt vervolgens de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere en zonodig afwijkende regels te stellen voor de vaststelling van het dagloon, inclusief de vaststelling van begrippen als ‘een jaar’ en ‘het loon’. Met deze laatste zinsnede is de bevoegdheid van de regelgever om afwijkende regels te stellen begrensd. De delegatiebepaling maakt geen regels mogelijk die ingaan tegen het uitgangspunt van het historisch dagloon, maar zij maakt wel regels mogelijk die, binnen dat uitgangspunt blijvend, de periode van inkomsten of het loonbegrip betreffen. Met het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van het Besluit in verbinding met artikel 13, zesde lid, van het Besluit wordt voorkomen dat toepassing van de hoofdregel voor de dagloonberekening, zoals neergelegd in artikel 45, eerste lid, van de WW tot een resultaat leidt dat in strijd is met het principe dat het dagloon een weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van betrokkene bij het intreden van het verzekerde risico. Het resultaat zou immers zijn een WW-dagloon dat in het algemeen hoger is dan het welvaartsniveau ten tijde van het intreden van de werkloosheid. Met de aansluiting bij het WAO-vervolgdagloon wordt recht gedaan aan het vereiste dat het dagloon voldoende inkomensbescherming biedt op het welvaartsniveau dat de werknemer had voor het intreden van het verzekerde risico. Bij het intreden van de ziekte en arbeidsongeschiktheid was dat het voorheen genoten loon en na het verstrijken van de uitkeringsduur van de loondervingsuitkering WAO is dat de WAO-vervolguitkering.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt, dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ