Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BL0195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-3634 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op militair pensioen, omdat appellant niet voldoet aan alle voorwaarden, neergelegd in artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet. Appellant voldoet niet aan de eis van 28 voor pensioen geldige dienstjaren. Voor de bepaling van de voor pensioen geldige diensttijd van de vrijwilliger bij de Natres volgens artikel D1 van de AMP-wet moet worden uitgegaan van de diensttijd doorgebracht als dienstplichtige in werkelijke dienst. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3634 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 mei 2008, 07/6927 MAW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 31 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Harderwijk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.H. Souren, werkzaam bij Pensioenbeheer APG.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1938, is van 9 april 1957 tot 9 maart 1959 als dienstplichtige in werkelijke dienst geweest. Vervolgens heeft appellant gediend als vrijwilliger en reservist bij het Korps Nationale Reserve (hierna: Natres) in de periode van 17 oktober 1966 tot

1 juli 1993. Met ingang van 1 mei 1977 is appellant bevorderd tot eerste luitenant. Op

1 juli 1993 is aan appellant (in de rang van majoor) functioneel leeftijdsontslag verleend.

1.2. Met ingang van 1 juni 2001 zijn de pensioenaanspraken van militairen overgegaan naar het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Op dezelfde datum is onder meer de Algemene militaire pensioenwet (AMP-wet) ingetrokken. Op dat moment zijn de bestaande rechten op grond van de AMP-wet vastgesteld om te beoordelen of overdracht aan het ABP moest plaatsvinden. Bij besluit van 13 april 2007 heeft de staatssecretaris appellant meegedeeld dat hij geen recht kan doen gelden op militair pensioen, omdat hij niet voldoet aan alle voorwaarden daartoe, neergelegd in artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet. Bij het bestreden besluit van 6 augustus 2007 heeft de staatssecretaris dat standpunt gehandhaafd.

2. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellant het in bezwaar en in beroep ingenomen standpunt herhaald, in hoofdzaak inhoudende dat hij recht kan doen gelden op militair pensioen omdat hij wel voldoet aan de voorwaarden in artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet. De staatssecretaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd en zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

4.1. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.2. Artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a, van de AMP-wet biedt de reservist bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar aanspraak op een militair pensioen als hij 28 voor pensioen geldige dienstjaren heeft, niet minder dan 16 jaren tot het reservepersoneel heeft behoord en gedurende die diensttijd bij het reservepersoneel gemiddeld 10 etmalen in het jaar in werkelijke dienst is geweest.

4.3. Tussen partijen is in geschil of appellant 28 voor pensioen geldige dienstjaren heeft. Partijen zijn het erover eens dat de perioden van 9 april 1957 tot 9 maart 1959 en van 1 mei 1977 tot 1 juli 1993 volledig moeten worden aangemerkt als voor pensioengeldige diensttijd. Vanaf 1 mei 1977 viel appellant onder de werking van de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht en wordt hij als reservist aangemerkt. Het geschil heeft betrekking op de periode waarin appellant werkzaam was als vrijwilliger bij de Natres, te weten de periode van 17 oktober 1966 tot 1 mei 1977. De vraag is of deze periode volledig moet worden meegewogen bij het bepalen van de voor pensioen geldige dienst-jaren of dat in deze periode alleen de diensttijd moet worden meegeteld die appellant in werkelijke dienst heeft doorgebracht. In het eerste geval voldoet appellant aan de voorwaarde van 28 dienstjaren. In het laatste geval niet.

4.4. Het geding spitst zich toe op de uitleg van ‘voor pensioen geldige dienstjaren’, zoals verwoord in artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet.

4.5. Met de staatssecretaris en de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor de uitleg van dit begrip moet worden aangesloten bij de bepaling met betrekking tot de voor pensioen geldige diensttijd, neergelegd in artikel D1, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet.

4.6. In artikel D1, eerste lid, aanhef en ander a, van de AMP-wet is ‘de voor pensioen geldige diensttijd’ gedefinieerd als de tijd voor 1 januari 1966 en na 31 december 1965:

1. doorgebracht als beroepsmilitair, als “reservist onbepaald verband” of als “reservist kort verband”;

2. doorgebracht als reservist in werkelijke dienst;

3. doorgebracht als reservist niet in werkelijke dienst;

4. doorgebracht als dienstplichtige in werkelijke dienst.

4.7. De vrijwilligers bij de Natres zijn als gevolg van het op 1 maart 1978 in werking getreden Besluit van 18 januari 1978 tot wijziging van het Besluit Nationale Reserve 1958 (Staatsblad 1978, 56), onder bepaalde voorwaarden, toegetreden tot het reservepersoneel van de Koninklijke Landmacht en hebben toentertijd de status van reservepersoneel der krijgsmacht gekregen. Appellant had, vanwege zijn bevordering tot eerste luitenant, al op 1 mei 1977 de status van reservist gekregen.

4.8. In artikel A1, eerste lid, van de AMP-wet zijn onder meer de definities van beroepsmilitair, reservist onbepaald verband, reservist kort verband, reservist en dienstplichtige opgenomen. In het tweede lid is neergelegd wat voor de toepassing van de wet onder meer onder reservist en dienstplichtige wordt begrepen. In artikel A1, tweede lid, aanhef en onder e, ten eerste van de AMP-wet is neergelegd dat onder dienstplichtige wordt begrepen hij die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van militaire dienst en niet is beroepsmilitair of oorlogsvrijwilliger, noch behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht. In de toelichting op deze bepaling staat dat onder vrijwillige verbintenis, onder andere wordt verstaan een verbintenis bij de Natres als bedoeld in het Besluit nationale reserve. Deze (nadere) definities vormen de grondslag voor de uitleg van deze begrippen in de overige bepalingen in de AMP-wet. Hieruit volgt dat voor de bepaling van de voor pensioen geldige diensttijd van de vrijwilliger bij de Natres volgens artikel D1 van de AMP-wet moet worden uitgegaan van de diensttijd doorgebracht als dienstplichtige in werkelijke dienst.

4.9. Daarmee staat vast dat appellant niet voldoet aan de in artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet gestelde eis van 28 voor pensioen geldende dienstjaren. De rechtbank heeft daarom terecht het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van de staatssecretaris in stand gelaten dat appellant, wegens een tekort aan voor pensioen geldige diensttijd, aan dat voorschrift geen recht op pensioen kan ontlenen.

4.10. Ook in hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van een bijzonder geval waarin strikte toepassing van de bepaling van artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet zozeer in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

4.11. Hierover stelt de Raad voorop dat artikel E3, eerste lid, aanhef en onder a van de AMP-wet dwingend recht bevat, waaraan de Raad zich heeft te houden.

Er kunnen zich echter bijzondere gevallen voordoen, waarin strikte toepassing van dwingend recht bevattende voorschriften, die het recht op een bepaalde uitkering of bepaald pensioen beheersen, in die mate in strijd kan komen met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Daarom moet de Raad nagaan of zich hier een dergelijk bijzonder geval voordoet.

4.12. Uit een onder de gedingstukken aanwezige brief van 17 juli 1997 van de Directeur Generaal Personeel van het ministerie van Defensie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal blijkt het volgende. Bij het Besluit van 18 januari 1978 is het voordien geldende Besluit Nationale Reserve met ingang van 1 maart 1978 gewijzigd in verband met een herstructurering van Natres. De vrijwilliger bij Natres werd toentertijd de keuze voorgelegd om of met ontslag te gaan of te rekenen vanaf 1 maart 1978 toe te treden tot het reserve-personeel der Koninklijke Landmacht. In het laatste geval werd men op pensioengebied niet langer gelijk gesteld met een dienstplichtige, maar kreeg men ook de rechten van een reservist. Het ging om een verbetering van de rechtspositie van de Natres-vrijwilligers. Vóór de wijziging diende men op vrijwillige basis met de rechtspositionele status van de dienstplichtige en in de wetenschap dat daar geen rechten op ouderdomspensioen tegenover stonden. Men kreeg vervolgens - per 1 maart 1978 - de kans om over te stappen naar het reserve-personeel en kon pensioen gaan opbouwen.

De Raad overweegt dat genoegzaam is gebleken dat met de wijziging per 1 maart 1978 is beoogd de rechtspositie van de Natres vrijwilligers voor de toekomst te verbeteren. Naar het oordeel van de Raad is er geen aanleiding om in de hierbij gemaakte keuze tot het niet wijzigen van de positie van deze Natres vrijwilligers met terugwerkende kracht een bijzonder geval als bedoeld in 4.10 en 4.11 niet aanwezig te achten.

5. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD

04.01