Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BL0186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
08-5916 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering periodieke uitkering, primair op de grond dat de psychische klachten van appellant niet hebben geleid tot een verminderd verdienvermogen en appellant niet werkte tot schade van zijn gezondheid. Appellant was in staat om het gebruikelijke inkomen uit zijn bedrijf te verdienen. Winstverdeling 50-50. Dat appellant niet de bij behorende helft van de werkzaamheden heeft verricht is niet van belang, nu de zakenpartner van appellant dit heeft geaccepteerd; onder die omstandigheden kan ook niet van werken tot schade van de gezondheid worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5916 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 31 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 4 september 2008, kenmerk BZ 47684, JZ/K70/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.J. de Bie, advocaat te Kerkdriel, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Tevens is, op verzoek van appellant, als getuige gehoord A.A.M. van Mierlo, en als getuige-deskundige de psychiater dr. W. Op den Velde.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1940, is ingevolge zijn aanvraag van oktober 2006 bij besluit van verweerster van 28 februari 2008 met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde. Aanvaard is daarbij dat de psychische klachten van appellant redelijkerwijs kunnen worden gerelateerd aan het omkomen van zijn vader tijdens de oorlogsjaren tengevolge van vervolging in de zin van de Wet. Verder zijn aan appellant enkele bijzondere voorzieningen toegekend. De door appellant ook gevraagde periodieke uitkering is echter geweigerd, primair op de grond dat de psychische klachten van appellant niet hebben geleid tot een verminderd verdienvermogen en appellant niet werkte tot schade van zijn gezondheid.

1.2. In bezwaar is door en namens appellant aangevoerd, kort samengevat, dat hij ten tijde van belang weliswaar aanspraak had op 50% van de winst van de Vennootschap onder Firma, waarin hij voor de helft deelgenoot was, maar dat hij toen al nog maar zeer ten dele in staat was om ook het overeenkomstig aandeel in de werkzaamheden te leveren. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant mede gewezen op een door de psychiater dr. W. Op den Velde over hem opgestelde psychiatrische rapportage van

19 mei 2008.

Dit bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder overweging dat ten tijde van belang blijkens de beschikbare gegevens formeel gezien nog altijd sprake was van een 50-50 verdeelsleutel.

2. De Raad kan de hiervoor weergegeven opvatting van verweerster onderschrijven. Tussen partijen is onbetwist dat appellant ten tijde hier van belang nog aangewezen was op inkomsten uit beroep of bedrijf. Dit brengt op grond van artikel 7, eerste lid, en artikel 8, tweede lid, van de Wet, voor zover in dit geval van belang, mee dat nagegaan moet worden of appellant buiten staat was om het gebruikelijke inkomen uit zijn bedrijf te verdienen. Verweerster heeft voor de beantwoording van die vraag terecht doorslag-gevend geacht dat, naar op grond van de voorhanden zijnde financiƫle gegevens vaststaat, aan appellant steeds de helft van de, op zich stabiele, bedrijfswinst is toegekomen. Dat appellant niet de daarbij behorende helft van de werkzaamheden heeft verricht is niet van belang, nu de zakenpartner van appellant dit toen heeft geaccepteerd; onder die omstan-digheden kan ook niet van werken tot schade van de gezondheid worden gesproken. Evenmin is van belang dat, naar appellant heeft meegedeeld, zijn zakenpartner inmiddels met de ontstane situatie geen genoegen meer neemt, nu die wijziging dateert van na het bestreden besluit.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD

14.12