Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK9663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08-1148 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit van 5 april 2007. Overplaatsing. Besluit van 28 juni 2007. Beëindiging plaatsing. Rechtbank heeft betrokkene terecht ontvankelijk verklaard. (LJN AR7791) Het enkele feit dat door een betrokkene wordt gesteld - en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - dat ten gevolge van het door hem bestreden besluit schade is (of zal worden) geleden, vormt voldoende grond om nog een belang van betrokkene bij een inhoudelijke beoordeling door de rechter van het geschil en een daaruit mogelijk volgende vernietiging van het bestreden besluit aanwezig te achten. Voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene bij de handhaving van de ontheffing uit zijn functie schade kan gaan lijden. Toetsingsmaatstaf. In gevallen waarin geen acuut belang tot ontheffing aanwezig is, kan een juiste afweging van belangen meebrengen dat aan betrokkene eerst nog een verbeterkans wordt geboden. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat zich hier een dergelijk geval voordeed.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1148 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 januari 2008, 07/1966 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 31 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Schoonhoven, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en door mr. E.J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Zevenaar. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.A. Wessel, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was sinds 1996 werkzaam bij de gemeente Zevenaar. Met ingang van 1 januari 2005 is de gemeente Zevenaar gemeentelijk heringedeeld met de gemeente Angerlo. In het kader van deze herindeling is betrokkene bij besluit van 4 februari 2005 geplaatst in de functie van [naam functie]. Tezamen met de [naam funcionarissen functie 1] en de beide andere [naam funcionarissen functie 2] maakte hij deel uit van het managementteam (hierna: MT) van de gemeente. Wegens samenwerkingsproblemen binnen het MT hebben in maart en november 2005 zogenoemde heidagen plaatsgevonden. Het MT kwam na de tweede heidag tot de conclusie dat inschakeling van een extern deskundige wenselijk was om het MT te “ontstroeven”. Vervolgens is aan [naam F.J.G. L], verbonden aan bureau [naam bureau], opdracht gegeven te onderzoeken welke stappen zouden moeten worden ondernomen om tot een betere samenwerking te komen. In zijn rapport van 18 januari 2006 heeft [naam F.J.G. L.] geadviseerd betrokkene uit het MT te halen en een andere passende functie voor hem te zoeken. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij van het verbeteren van het samenwerken van de vier MT-leden weinig resultaat verwacht; sterker nog: zodra eraan gewerkt wordt, worden allerlei latente irritaties en frustraties manifest en is de kans op een “uitslaande brand” zeer groot, aldus de onderzoeker.

1.2. Naar aanleiding van deze rapportage heeft appellant door tussenkomst van [naam F.J.G. L.] betrokkene laten weten dat het college in navolging van de andere MT-leden geen vertrouwen meer in hem als MT-lid had. Van maart tot en met augustus 2006 hebben partijen zonder resultaat onderhandeld over een minnelijke regeling. In september 2006 heeft mr. M.J.M. Schoonhoven de overige leden van het MT en de leden van het college geïnterviewd over de vraag of zij nog steeds de conclusies van het rapport van [naam F.J.G. L.] onderschreven. Zijn conclusie luidde bevestigend.

1.3. Bij brief van 12 oktober 2006 heeft het college aan betrokkene het voornemen meegedeeld hem op grond van artikel 15:1:10, eerste lid, van de Zevenaarse Arbeids-voorwaarden Regeling (ZAR) te ontheffen uit zijn functie van [naam functie] en te plaatsen in de functie van [naam functie B] Zevenaar-Oost. Betrokkene heeft zich per 16 oktober 2006 ziek gemeld. Nadat betrokkene zijn zienswijze op het voornemen had gegeven, heeft appellant betrokkene bij primair besluit van 8 november 2006 overeen-komstig het voornemen overgeplaatst. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 april 2007.

1.4. Bij besluit van 28 juni 2007 heeft appellant de plaatsing van betrokkene in de functie van [naam functie B] Zevenaar-Oost beëindigd en hem benoemd als [naam functie C] in algemene dienst van de gemeente Zevenaar. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met bepalingen over proceskosten en griffierecht.

3. In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, gesteld dat de rechtbank betrokkene ten onrechte in zijn beroep ontvankelijk heeft geacht, nu betrokkene geen verzoek om schadevergoeding heeft gedaan en dus procesbelang ontbeert. Voorts heeft de rechtbank een verkeerd toetsingskader aangelegd en heeft zij teveel betekenis toegekend aan het feit dat betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren. Gezien de vertrouwensbreuk en de opstelling van betrokkene was er een duidelijk dienstbelang bij de ontheffing, dat zwaarder behoort te wegen dan het belang van betrokkene.

Betrokkene heeft tegen de stellingen van appellant gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 9 december 2004, LJN AR7791) vormt het enkele feit dat door een betrokkene wordt gesteld - en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - dat ten gevolge van het door hem bestreden besluit schade is (of zal worden) geleden, voldoende grond om nog een belang van betrokkene bij een inhoudelijke beoordeling door de rechter van het geschil en een daaruit mogelijk volgende vernietiging van het bestreden besluit aanwezig te achten. De omstandigheden van dit geval bieden geen grond om daarover hier anders te oordelen. Weliswaar heeft betrokkene nog geen concrete becijfering van de door hem geleden schade overgelegd, maar hij heeft, onder meer in een schrijven van 19 juli 2007 aan de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij handhaving van de ontheffing uit zijn functie schade kan gaan lijden.

4.2. Ten aanzien van de te hanteren toetsingsmaatstaf heeft appellant er met juistheid op gewezen dat in gevallen waarin de reden voor een overplaatsing is gelegen in de ongeschiktheid van de ambtenaar, die overplaatsing wat betreft de feitelijke grondslag niet behoeft te voldoen aan de eisen waaraan een ontslag om die zelfde reden moet voldoen. Weliswaar moet het bestuursorgaan aantonen dat het functioneren van de ambtenaar tekortschiet, maar verder is voldoende dat het bestuursorgaan aantoont dat zijn belang om de ambtenaar te ontheffen groter is dan het belang van de ambtenaar bij behoud van zijn functie. In gevallen waarin geen acuut belang tot ontheffing aanwezig is, kan een juiste afweging van belangen meebrengen dat aan betrokkene eerst nog een verbeterkans wordt geboden. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat zich hier een dergelijk geval voordeed, en heeft daarbij de volgende omstandigheden van belang geacht.

4.3. Appellant heeft in het rapport van [naam F.J.G. L.] aanleiding gezien om zonder nader onderzoek naar de mogelijkheden tot verbetering van de verhoudingen binnen het MT het vertrouwen in betrokkene als MT-lid op te zeggen. Daartoe was voor appellant beslissend de inschatting van de onderzoeker dat pogingen tot verbetering veeleer averechts zouden uitwerken. De Raad moet echter vaststellen dat het hier een subjectieve inschatting van de onderzoeker betreft, waarvoor in de door hem gerapporteerde onderzoeksgegevens onvoldoende steun en onderbouwing is te vinden. Gelet op de ingrijpendheid van de conclusie en gelet op het feit dat het hier een door het MT geïnitieerd onderzoek betrof naar verbetering van de samenwerkingsmogelijkheden, was het naar het oordeel van de Raad uit het oogpunt van zorgvuldigheid ten minste vereist, dat de inschatting van de onderzoeker eerst bij alle leden van het MT werd geverifieerd, in plaats van, zoals thans is geschied, van collegezijde de opvatting van de onderzoeker blindelings te volgen en zelfs zonder hoor en wederhoor het vertrouwen in betrokkene als MT-lid op te zeggen. De Raad merkt hierbij nog op, dat ook uit de verdere gang van zaken, waarbij betrokkene tot aan zijn overplaatsing nog geruime tijd - zo goed en zo kwaad als dat nog ging - in zijn functie is blijven werken, niet is af te leiden dat zo’n abrupt opzeggen van vertrouwen noodzakelijk was.

4.4. Ook indien de concrete feiten die betrokkene worden verweten in ogenschouw worden genomen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat daaruit een overwegend belang van het bestuur bij deze maatregel van ontheffing is af te leiden.De handelwijze van betrokkene met betrekking tot de kadernota, waarbij de gegevens die betrokkene moest aanleveren in verband met vakantie van betrokkene te laat waren en hij buiten de overige MT-leden om het collegelid-portefeuillehouder waarschuwde voor de gevolgen van bezuinigingen in zijn sector, was wellicht minder passend in het nieuwe model van integrale beleidsvorming en -advisering door het MT. Het gaat echter naar het oordeel van de Raad te ver om alleen daaruit te concluderen dat met betrokkene in het nieuwe model niet langer viel samen te werken. Dit geldt evenzeer voor het verwijt, dat betrokkene aan zijn personeelsleden heeft laten merken dat hij niet gelukkig was met de gang van zaken rondom de herhuisvesting van een deel van zijn directie in een ander gebouw.

4.5. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend aan het feit, dat in de interviewronde die mr. Schoonhoven in september 2006 heeft gehouden, de beelden die zijn geschetst in het rapport [naam F.J.G. L.] zijn bevestigd, nu in de daaraan voorafgaande periode niets is ondernomen om de samen-werking met betrokkene te verbeteren. De Raad merkt daarbij nog op dat ook uit deze interviewronde blijkt dat er ondanks kritiek ook - zowel bij collega’s als bij collegeleden - waardering is voor de daadkracht en kunde van betrokkene, en dat de collegeleden de kritiek op betrokkene doorgaans slechts van horen zeggen hadden.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 428,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD

Q