Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK9426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
09-908 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat niet (redelijkerwijs) geoordeeld kan worden dat appellant ten aanzien van het tijdig instellen van het beroep in verzuim is geweest. De Raad is van oordeel dat appellant hiermee al datgene heeft gedaan, wat van hem redelijkerwijs verwacht mocht worden. De Raad stelt vast dat geen reden is gegeven om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Ook anderszins is de Raad niet gebleken van gronden om de niet-ontvankelijkverklaring rechtens niet juist te oordelen. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 108 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/908 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Westelijke Sahara (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2008, 06/4940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 31 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft schriftelijk laten weten af te zien van de indiening van een verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellant is - met bericht van verhindering - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit gedateerd 19 april 2005 heeft de Svb aan appellant, die woont in de Westelijke Sahara, meegedeeld dat de toeslag op zijn pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 1 januari 2006 wordt beëindigd. Bij brief gedateerd 6 april 2006 heeft appellant bezwaar aangetekend tegen dit besluit. Opgemerkt wordt dat de beëindiging van de toeslag er op is gebaseerd dat appellant woont in een gebied dat geen verdrag heeft gesloten met Nederland. Volgens appellant is hij echter Marokkaan en Marokko heeft wel een verdrag met Nederland gesloten. Op die grond is de beëindiging van de toeslag niet terecht.

1.2. De Svb heeft appellant meegedeeld dat het bezwaar te laat is ingediend. Geïnformeerd is naar de reden voor de termijnoverschrijding. Daarop heeft appellant geantwoord dat in de brief van 19 april 2005 weliswaar is meegedeeld dat de wijziging van de Wet beperking export uitkeringen ingaat per 1 januari 2006, maar dat de beslissing niet definitief is. Later, in 2006, is het besluit van kracht geworden zonder dat appellant in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen dienaangaande te maken. Herhaald wordt dat het besluit onjuist is, nu de Westelijke Sahara onderdeel uitmaakt van Marokko.

2. Bij besluit van 16 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Opgemerkt wordt dat in dit besluit niet staat dat de beslissing niet definitief is. De overschrijding van de bezwaartermijn wordt niet-verschoonbaar geoordeeld.

3.1. Bij brief gedateerd 15 september 2006, door de rechtbank ontvangen op 5 oktober 2006, heeft appellant beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Opgemerkt wordt dat de beëindiging van de toeslag niet terecht is, nu appellant valt onder het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko. Bij brief gedateerd 14 maart 2008 heeft de rechtbank aan appellant laten weten dat het beroep niet-tijdig is ingesteld. Verzocht wordt om de rechtbank te informeren over de redenen van de termijnoverschrijding. Op dit verzoek is door appellant niet gereageerd.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:

“2.7. De rechtbank acht niet weerlegd of aan twijfel onderhevig dat het bestreden besluit van 16 augustus 2006 op die dag of daags daarna aan het juiste adres van eiser is toegezonden. Daarmee heeft de bekendmaking op juiste wijze plaatsgevonden en is de beroepstermijn op 17 augustus 2006 aangevangen. De laatste dag van de termijn was 27 september 2006. Eiser heeft het beroepschrift gedateerd op 15 september 2006. Volgens de poststempel op de envelop heeft eiser het beroepschrift op 18 september 2006 ter post bezorgd. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 5 oktober 2007, dit is één week en één dag na het aflopen van de termijn.

2.8. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB geldt de termijn van zes weken ook voor iemand die in het buitenland verblijft, tenzij dit bij wet in formele zin anders is geregeld (zie de uitspraak van de CRvB, op www.rechtspraak.nl vermeld onder LJN: AP4464). De termijn is met opzet ruim gekozen om eventualiteiten, zoals feestdagen en andere vertragende factoren, zo min mogelijk invloed te laten uitoefenen op de ontvankelijkheid van een bezwaar- of een beroepschrift. Een trage postverwerking, zoals in dit geval, komt dan ook voor risico van eiser.

2.9. Eiser heeft niet geantwoord op het verzoek van de rechtbank van 14 maart 2008 om een verklaring te geven voor het feit dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat eiser niet in verzuim was.”

4. In hoger beroep is door appellant enkel aangevoerd dat de beëindiging van de toeslag niet terecht is. De Svb heeft afgezien van het voeren van verweer.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 31 mei 2007 (LJN BA6714) is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet (redelijkerwijs) geoordeeld kan worden dat appellant ten aanzien van het tijdig instellen van het beroep in verzuim is geweest. Appellant heeft immers het beroepschrift ruim binnen de gestelde termijn van zes weken verzonden, te weten ruim een week voor het einde van de beroepstermijn, alsmede ruim twee weken voor het einde van de termijn ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad is van oordeel dat appellant hiermee al datgene heeft gedaan, wat van hem redelijkerwijs verwacht mocht worden. De aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand blijven. De Raad kan de zaak zelf afdoen nu deze, naar zijn oordeel, geen nadere behandeling behoeft door de rechtbank.

5.3. Ter beantwoording ligt voor de vraag of de Svb met recht het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad beantwoordt deze vraag in bevestigende zin. Het bezwaar is ingesteld bijna een jaar na de verzending van het besluit van 19 april 2006. Desgevraagd heeft appellant verklaard dat dit besluit niet definitief was en dat daarom het bezwaar eerst later is ingesteld. De Raad stelt vast dat daarmee geen reden is gegeven om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Ook anderszins is de Raad niet gebleken van gronden om de niet-ontvankelijkverklaring rechtens niet juist te oordelen. De Raad zal het beroep in eerste aanleg dan ook ongegrond verklaren.

6. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) W. Altenaar.

mm