Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK9412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
08-807 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voorziening hoog Persoonlijk Kilometer Budget. De afstand tussen de woonplaats van appellante en het dichtstbijzijnde station met de mogelijkheid van assistentieverlening door NSRail bedraagt 30,4 kilometer. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad genoegzaam gebleken dat de gemeente in een geval als dat van appellante de reis naar het treinstation vergoedt, tot 2000 kilometer per jaar. In zoverre hoeft dan geen beroep te worden gedaan op het PKB. Gelet daarop is er geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van een uitzonderlijke situatie zodat - met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Awb - zou moeten worden afgeweken van het Protocol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/807 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 december 2007, 07/2266 en 07/2922 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

Argonaut Advies B.V., (hierna: Argonaut)

Datum uitspraak: 24 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.G.H. Rosenkamp, sociaal juridisch dienstverlener bij

MEE Friesland, hoger beroep ingesteld.

Argonaut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2008. Voor appellante zijn verschenen Rosenkamp en W. Vrijburg. Argonaut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P. Matze, advocaat te Den Haag, en door mr. E.C.M. Hurkens en E.C.M. Molijn.

De Raad heeft het onderzoek geschorst en partijen hebben op verzoek van de Raad bij brieven van 2 februari 2009 respectievelijk 6 februari 2009 nadere schriftelijke inlichtingen verstrekt.

Met op 9 februari 2009 respectievelijk 19 augustus 2009 ingekomen toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in juni 1929, lijdt aan COPD. Tevens heeft zij rugproblemen, evenwichtsstoornissen en een ziekte aan haar ademhalingsstelsel. Ten gevolge hiervan ondervindt zij beperkingen op het gebied van het vervoer buitenshuis en heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] bij besluit van 12 augustus 2003 aan appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een voorziening toegekend in de vorm van collectief vervoer van - in beginsel - maximaal 555 kilometer per jaar. Naar ook uit de hiervoor onder I vermelde brieven blijkt kan appellante bij een grotere vervoersbehoefte in verband met het vaak naar het station [naam station] moeten reizen, extra kilometers aanvragen tot, in haar geval, maximaal 2000 kilometer. Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] aan appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een scootmobiel verstrekt. Gedaagde heeft aangegeven dat appellante heeft afgezien van de scootmobiel.

1.2. Appellante heeft op 12 februari 2007 een voorziening aangevraagd in de vorm van een hoog Persoonlijk Kilometer Budget (hierna: PKB).

1.3. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft Argonaut op 3 mei 2007 haar onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapportage indicatiestelling hoog PKB. In deze rapportage is aangegeven dat bij appellante weliswaar sprake is van chronisch toetsbare persoonsgebonden medische beperkingen, maar dat deze het reizen per trein niet onmogelijk maken.

1.4. Bij besluit van 14 mei 2007 heeft Argonaut de aanvraag van appellante afgewezen.

1.5. Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft Argonaut het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 mei 2007, onder verwijzing naar het advies van de Commissie van heroverweging betreffende indicatiestelling hoog PKB van 9 juli 2007, ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om, in afwijking van de door Argonaut in het Protocol inzake de afhandeling van indicatieaanvragen hoog PKB Bovenregionaal Vervoer Gehandicapten (hierna: Protocol) gehanteerde criteria, een hoog PKB toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

- voorzover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2007 ongegrond verklaard. Hiertoe is geoordeeld dat de gemeente [naam gemeente] de reis tussen [woonplaats] en het station in [naam station] vergoedt aan appellante. Zij hoeft voor het vervoer van en naar het station [naam station] dan ook niet haar standaard PKB aan te spreken. Voor zover appellante stelt dat zij met het vervoer tussen [woonplaats] en het station in [naam station] de toegekende kilometervergoeding in het kader van de Wvg-voorziening (inmiddels Wmo-voorziening) opsoupeert omdat haar vervoersbehoefte groter is dan 555 kilometer per jaar, heeft Argonaut terecht gewezen op de mogelijkheden op verruiming van het aantal door de gemeente te vergoeden kilometers die de gemeentelijke verordening biedt.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Aangevoerd is dat onduidelijk is onder welk regime het vervoer naar het treinstation dient plaats te vinden en tevens dat de grote afstand tussen haar woonplaats en het treinstation in [naam station] onder de uitzondering dient te vallen zoals door de Raad benoemd in zijn uitspraak van 31 maart 2006 (LJN: AV8198).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar de Raad reeds eerder heeft overwogen vormen de in het Protocol neergelegde

- en door de Staatssecretaris goedgekeurde - toekenningscriteria het door Argonaut bij de indicatiestelling toe te passen beoordelingskader. Deze toekenningscriteria gaan de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

4.2. De afstand tussen de woonplaats van appellante [woonplaats] en het dichtstbijzijnde station met de mogelijkheid van assistentieverlening door NSRail (zijnde station [naam station]) bedraagt 30,4 kilometer. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad genoegzaam gebleken dat de gemeente [naam gemeente] ten tijde hier van belang in een geval als dat van appellante de reis naar het treinstation in [naam station] vergoedt, tot 2000 kilometer per jaar. In zoverre hoeft dan geen beroep te worden gedaan op het PKB. Gelet daarop is er geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van een uitzonderlijke situatie zodat - met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Awb - zou moeten worden afgeweken van het Protocol.

4.3. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) J. Waasdorp.

RB