Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK9411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
08-2802 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat de woonruimten van appellant en zijn broer moeten worden gezien als één woning. De woning van appellant kan niet als zelfstandige woning worden beschouwd, nu een wezenlijke woonfunctie, te weten een keuken, ontbreekt. Nu appellant en zijn broer beurtelings bij elkaar gebruik maken van wezenlijke woonfuncties als de keuken en de badkamer is terecht geconcludeerd dat zij ten tijde in geding hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Het feit dat appellant voor zijn woning huurtoeslag ontvangt van de Belastingdienst doet hier niet aan af. Gezamenlijke huishouding. Afwijzing verzoek schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 41
USZ 2010/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2802 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2008, 07/925 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Geffen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 15 september 2006 gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op het aanvraagformulier heeft appellant aangegeven dat hij alleenstaande is en woont op het adres [adres A] te [woonplaats]. In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand is onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft op 17 januari 2007 een gesprek plaatsgevonden en is aansluitend een huisbezoek afgelegd. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport gedateerd 18 januari 2007.

1.2. De bevindingen van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest bij besluit van 19 januari 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 februari 2007, de aanvraag om bijstand af te wijzen. Daartoe is overwogen dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer en om die reden niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

27 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand de periode vanaf de datum van de melding tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 15 september 2006 tot en met 19 januari 2007.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Zoals de Raad eerder heeft overwogen dient onder een woning als bedoeld in artikel 3 van de WWB een zelfstandige woning te worden verstaan, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld.

4.3. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Vaststaat dat appellant huurder is van de woning op het adres [adres A] te [woonplaats] en dat zijn broer, [naam broer], de woning op het [adres B] huurt. Tijdens het op 17 januari 2007 verrichte huisbezoek is gebleken dat de betreffende woningen met elkaar verbonden zijn door middel een wenteltrap tussen de woonkamers en dat deze verbinding niet afsluitbaar is. Tevens is geconstateerd dat in de woning van appellant geen keuken aanwezig is. Appellant heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat hij gebruik maakt van de keuken en wasmachine op de etage van zijn broer en dat zijn broer gebruik maakt van de badkamer in de woning van appellant.

4.4. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat de woonruimten van appellant en zijn broer moeten worden gezien als één woning. De woning van appellant kan niet als zelfstandige woning worden beschouwd, nu een wezenlijke woonfunctie, te weten een keuken, ontbreekt. Nu appellant en zijn broer beurtelings bij elkaar gebruik maken van wezenlijke woonfuncties als de keuken en de badkamer is terecht geconcludeerd dat zij ten tijde in geding hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Het feit dat appellant voor zijn woning huurtoeslag ontvangt van de Belastingdienst doet hier niet aan af.

4.5. De Raad is verder van oordeel dat de gedingstukken voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat appellant en zijn broer blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De Raad hecht hierbij betekenis aan de door appellant op 17 januari 2007 afgelegde verklaring dat hij gezamenlijk met zijn broer boodschappen doet, dat zij samen eten en dat zij elkaar verzorgen in geval van ziekte. Dat appellant, zoals ter zitting is gesteld, ten tijde van het huisbezoek een te rooskleurig beeld heeft geschetst van de omgang met zijn broer, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Ditzelfde geldt voor de in hoger beroep overgelegde verklaring van de broer van appellant. De Raad wijst verder op het feit dat appellant en zijn broer gedurende de gehele hier relevante periode in ieder geval over een gezamenlijke bankrekening beschikten.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat appellant en zijn broer gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant was derhalve geen zelfstandig subject van bijstand en had derhalve geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft de aanvraag van appellant om bijstand naar de norm voor een alleenstaande terecht afgewezen.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs

(get.) W. Altenaar

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

mm