Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK9270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
08-626 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zijn aan te merken als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/626 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 december 2007, 07/607 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 20 december 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan appellant een verblijfsvergunning toegekend van 29 november 2002 tot 29 november 2006.

1.2. Op 2 februari 2006 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand met ingang van 29 november 2002 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 27 februari 2006 heeft het College appellant met ingang van 2 januari 2006 bijstand toegekend. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 12 juli 2006 heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.3. Op 22 augustus 2006 heeft appellant wederom een aanvraag om bijstand ingediend. Hij heeft daarbij vermeld dat hij vanaf 2002 recht had op een uitkering. Het College heeft deze aanvraag opgevat als een aanvraag om bijstand over de periode van 29 november 2002 tot en met 1 januari 2006 en deze bij besluit van 8 september 2006 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen op de grond dat appellant sinds het besluit van 27 februari 2006 geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die een andere beslissing rechtvaardigen.

1.4. Bij besluit van 11 december 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 september 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2. Gelet op het feit dat appellant op 2 februari 2006 een aanvraag om bijstand met ingang van 29 november 2002 heeft ingediend en het College bij het besluit van 27 februari 2006 met ingang van 2 januari 2006 bijstand heeft toegekend is de Raad met de rechtbank en anders dan appellant van oordeel dat het College bij het besluit van 27 februari 2006, ook al is dat daarin niet met zoveel woorden vermeld, heeft geweigerd bijstand over de periode van 29 november 2002 tot en met 1 januari 2006 te verlenen. De Raad merkt in dit verband op dat, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, appellant het besluit van 27 februari 2006 ook zo heeft opgevat toen hij daartegen bezwaar maakte.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellant met de aanvraag van 22 augustus 2006 heeft beoogd hem alsnog bijstand te verlenen over de periode van 29 november 2002 tot en met 1 januari 2006. Gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen dient de aanvraag van 22 augustus 2006 dan ook te worden beschouwd als een herhaalde aanvraag om bijstand over die periode.

4.4. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zijn aan te merken als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 27 februari 2006.

4.5. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat het besluit van 27 februari 2006 zodanig gebrekkig is, dat het College de aanvraag van 22 augustus 2006 niet onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb heeft mogen afwijzen. Het is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805) dat de evidente of kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf in het kader van de vraag of een bestuursorgaan van een eerder genomen besluit dient terug te komen, geen beslissende rol speelt. De Raad ziet ook overigens in hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bedoelde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

22 december 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

mm